Samenvatting Klinische Psychologie 1 Deel 2 (zie beschrijving)

Samenvatting Klinische Psychologie 1 Deel 2 (zie beschrijving);Samenvatting bevat 1x een extreem beknopte samenvatting van 20 pagina’s (met ziektebeelden en belangrijkste begrippen) & daarnaast de uitgebreide samenvatting met meer tekst en uitleg.

1
Klinische psychologie 1: persoonlijkheidstheorieën en psychopathologie
(PB0104) | DEEL 2
Beknopte samenvatting: pag. 2 t/m 22
Uitgebreide samenvatting: pag. 23 t/m 127

2
Beknopte samenvatting DSM-5 ziektebeelden + belangrijkste begrippen
Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen bij volwassenen (H11)
1) Verstandelijke beperking
2) Communicatiestoornissen
3) Autismespectrumstoornis (ASS): beperking in de sociale communicatie en interactie, repetitieve gedragingen
en interesses
4) Aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD): onoplettendheid, impulsiviteit, hyperactiviteit
5) Specifieke leerstoornissen
6) Motorische stoornissen.
Belangrijkste punten en begrippen:

  • Twee kerndomeinen van ASS:
    (1) Beperking in de sociale communicatie en interactie:
    ▪ Afwijkende sociale wederkerigheid
    ▪ Afwijkende non-verbale communicatie,
    ▪ Moeilijkheden met relaties
    (2) Repetitieve gedragingen en interesses:
    ▪ Stereotiepe bewegingen: bv. wiegen, echolalie (dwangmatig herhalen van woorden)
    ▪ Gedragingen of spraak
    ▪ Moeite met veranderingen
    ▪ Stereotiepe interesses
    ▪ Sensorische overgevoeligheid
  • In DSM-5 is de aanvangsleeftijd van ADHD verruimt van ‘voor het 7e
    levensjaar’ naar ‘voor het 12e
    levensjaar’.
  • Bij volwassenen met ADHD is hyperactiviteit minder prominent aanwezig dan bij kinderen.
  • Behandeling ADHD: meestal medicatie
  • ADHD: 3 subtypen → gecombineerde type (meest frequent; 50-75%); onoplettende type; hyperactieveimpulsieve type (minst frequent; <15%).

3
Depressieve- en bipolaire-stemmingsstoornissen (H12)
1) Depressieve-stemmingsstoornissen
▪ Disruptieve-stemmingsdisregulatiestoornis: prikkelbaar + hevige driftbuien
▪ Depressieve stoornis: sombere stemming
▪ Persisterende depressieve stoornis:  2 jaar sombere stemming (ook wel ‘dysthymie/dysthyme stoornis)
▪ Premenstruele stemmingsstoornis: rondom menstruatie
▪ Depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie
▪ Depressieve-stemmingsstoornis door een somatische aandoening
2) Bipolaire stoornissen: afwisselend overdreven opgewekt en somber
▪ Bipolaire I-stoornis: manische episode(n)
▪ Bipolaire II-stoornis: minstens 1 depressieve + 1 hypomane episode
▪ Cyclothyme stoornis:  2 jaar terugkerende perioden van licht manische en depressieve symptomen
▪ Bipolaire-stemmingsstoornis door een middel/medicatie
▪ Bipolaire-stemmingsstoornis door een somatische aandoening
Belangrijkste punten en begrippen:

  • Depressieve episode: gedurende een onafgebroken periode van minstens 2 weken symptomen van een
    depressieve stemming of verlies aan interesse en plezier.
  • Manische episode: gedurende een aaneengesloten periode van minstens een week voortdurend een
    overdreven uitgelaten of juist uiterst prikkelbare stemming en er is sprake van toegenomen doelgerichte
    activiteiten of energie; dagelijkst functioneren wordt aanzienlijk beperkt.
  • Hypomane episode: dezelfde symptomen als manische episode, maar symptomen zijn minimaal slechts vier
    dagen aanwezig en er zijn geen grote beperkingen in het dagelijks functioneren.
  • Cognitieve triade: de bevinding dat in het denken van depressieven vooral drie negatieve cognities overheersen:
    negatieve kijk op zichzelf, op de wereld en op de toekomst.
  • Een interne, stabiele en globale attributie (bv. ‘ik ben gezakt voor dit mondelinge examen omdat ik nu eenmaal
    weinig capaciteiten heb’) zal tot een sterkere neerslachtige reactie leiden.
  • Kindling: bij het ontstaan van depressies en manieën is de rol van life-events en stress bij een 1e episode groter
    dan bij latere episoden. Latere episoden lijken al op te treden bij relatief lichte of zelfs afwezige uitlokkende
    gebeurtenissen. Dit fenomeen van kindling suggereert dat het doormaken van episoden van een
    stemmingsstoornis leidt tot een vergroting van de kwetsbaarheid voor nieuwe episoden.
  • Hypothalamus-hypofyse-bijnier-as: ontregelingen in de hypothalamus-hypofyse-bijnier (HBB)-as spelen een rol
    bij het ontstaan van stemmingsstoornissen. De HHB-as reguleert de secretie van het hormoon cortisol. Cortisol
    wordt extra aangemaakt bij stress.
  • Immunologische factoren: zowel psychologische als lichamelijke stress leiden tot een toename van zgn. proinflammatoire cytokinen; deze cytokinen interfereren met de normale overdracht van neurotransmitters, zoals
    serotonine en noradrenaline.
  • Lewinsohn (bekrachtigingstheorie) & Rehm (zelfcontrolemodel): behandeling van depressieve stoornissen moet
    erop gericht zijn de patiënt te leren om de (zelf)bekrachtiging te verhogen.

4
Angststoornissen (H13)
1) Separatieangststoornis: weg van huis of gehechte personen
2) Selectief mutisme: niet kunnen spreken
3) Specifieke fobie: bepaald object of situatie; vijf subcategorieën: dieren, natuurverschijnselen (onweer,
hoogten, water), bloed-injectie-verwonding, situationeel (tunnels, liften, vliegen) en overig (bv. stikken of
overgeven)
4) Sociale-angststoornis: negatief oordeel van anderen
5) Paniekstoornis: terugkerende paniekaanvallen zonder duidelijke aanleiding
6) Agorafobie: niet weg kunnen of geen beschikbare hulp bij evt. paniekaanval
7) Gegeneraliseerde-angststoornis (GAS): situaties/gebeurtenissen waarover je geen controle hebt
Belangrijkste punten en begrippen:

  • Hoge comorbiditeit bij angststoornissen.
  • Stagering: het indelen van de ernst van angststoornissen in verschillende fasen.
  • Profilering: wordt gebruikt om (binnen de door stagering onderscheiden fasen) aan te duiden of specifieke
    kenmerken van cliënten samenhangen met verschillende prognoses en/of behandelmethoden.
  • Klassieke conditionering geeft een verklaring voor het ontstaan van angststoornissen. Voorheen neutrale of
    mogelijk zelfs positieve situaties krijgen een nieuwe beangstigende betekenis. Zo kan een neutrale situatie ‘trein’
    na een paniekaanval in de trein een voorspeller van een paniekaanval worden, en daarmee gevoelens van angst
    oproepen.
  • Operante conditionering geeft een verklaring voor het voortbestaan van angststoornissen. Gedrag dat in eigen
    beleving tot positieve gevolgen leidt (bekrachtiging) zal vaker toegepast worden, terwijl gedrag dat niet tot
    positieve, of zelfs tot negatieve gevolgen leidt (straf) zal afnemen. Bij angststoornissen is vooral de operante
    conditionering door vlucht-, vermijdings- en veiligheidsgedrag van belang.
  • De lijdensdruk van mensen met een specifieke fobie is dikwijls geringer dan de lijdensdruk van mensen met een
    andere psychische stoornis.
  • Sociale fobie is het meest voorkomend.
  • ‘Angstnetwerk’: amygdala, insula en anterieure cingulate gebieden
    ▪ Amygdala: angst en emotie; snel toekennen van betekenis in geval van dreiging en het activeren van
    hersengebieden die het lichaam voorbereiden op actie (fight or flight).
    ▪ Insula: verwerking van emoties, subjectieve gevoelens en het bewustzijn van de eigen lichamelijke en
    emotionele toestand (interoceptief bewustzijn).
    ▪ Anterieure cingulate cortex (ACC): belangrijke rol in toenaderings- en vermijdingsgedrag (approachavoidance) en bij het aanleren van vreesreacties.
  • Bij sequentiële associaties in de cognities vd patiënt: interventie = exposure
  • Bij referentiële associaties in de cognities vd patiënt: interventie = herevaluatie vd geactiveerde herinnering
    Powered by https://learnexams.com/search/study?query=aqa
Scroll to Top