Samenvatting Sociale Psychologie inclusief begrippenlijsten en belangrijke uitgewerkte opdrachten;Samenvatting Sociale Psychologie inclusief begrippenlijsten en belangrijke uitgewerkte opdrachten.
Sociale psychologie (PB0012)
Cursusdoelen
De belangrijkste ontwikkelingen beschrijven die de sociale psychologie heeft doorgemaakt tijdens haar
geschiedenis.
Voorbeelden geven van bijdragen die de sociale psychologie heeft geleverd aan ons begrip van
menselijke sociale interacties.
Een overzicht geven van de methoden en technieken die gebruikt worden in sociaal psychologisch
onderzoek.
De belangrijkste theoretische kaders omschrijven voor de behandelde sociaalpsychologische thema’s.
De belangrijkste constructen die deel uitmaken van deze sociaalpsychologische thema’s definiëren en
van elkaar onderscheiden.
Sociaalpsychologische processen als zodanig herkennen en analyseren.
Aangeven hoe sociaalpsychologische theorieën kunnen worden toegepast om attitudes en gedrag te
veranderen.
Docent: [email protected]
Thema 1 | Introductie in de sociale psychologie
Hoofdstuk 1 | Inleiding tot de sociale psychologie
Begrippen hoofdstuk 1
Psychologie De wetenschap van het gedrag en de psychische processen van het individu.
Sociale psychologie De wetenschappelijke studie naar de manier waarop gedachten, gevoelens en
gedragingen van mensen worden beïnvloed door de werkelijke of imaginaire
aanwezigheid van andere mensen.
Nadruk op constructen; de interpretatie (van de sociale wereld/bepaald
gedrag).
Sociale invloed Het effect dat de woorden, daden of alleen al de aanwezigheid van andere
mensen hebben op onze gedachten, gevoelens, attitudes of gedrag.
Empirische methode Op waarneming en/of onderzoek gebaseerde methode voor het toetsen van
hypothesen.
Hypothese Een als voorlopige waarheid aangenomen maar nog te bewijzen
veronderstelling.
Construct De manier waarop mensen de sociale wereld (waarnemen, begrijpen en)
interpreteren.
Determinant Bepalende factor in een ontwikkeling of toestand.
Individuele verschillen Die aspecten van de persoonlijkheid die mensen onderscheiden van anderen.
Fundamentele attributiefout Neiging om de mate waarin iemands gedrag wordt veroorzaakt door de rol
van persoonlijke eigenschappen en andere interne factoren te overschatten
en de rol van externe, situationele factoren te onderschatten.
Attributie Het toeschrijven van oorzaken aan het eigen of aan andermans gedrag en het
daarmee voorzien van verklaringen.
Behaviorisme (Skinner, 1938) Stroming in de psychologie die de stelling verdedigt dat men, om menselijk
gedrag te kunnen begrijpen, slechts hoeft te kijken naar de bekrachtigende
eigenschappen van de omgeving.
Gestaltpsychologie Stroming in de psychologie die het belang benadrukt van het bestuderen van
de persoonlijke (subjectieve) manier waarop een object wordt waargenomen
(het gestalt of geheel), in plaats van het bestuderen van de manier waarop de
objectieve, fysieke eigenschappen van het object zijn samengevoegd.
Fenomenologie Filosofische methode (van Husserl) die probeert door de geestelijk-intuïtieve
beschouwing van de dingen, niet door rationele kennis, de constitutie van de
wereld in de geest en het wezen der dingen te beschrijven.
Positief zelfbeeld Evaluatie van mensen van hun eigen eigenwaarde, dat wil zeggen: de mate
waarin ze zichzelf beschouwen als goed, competent en beschaafd.
Sociale cognitie Hoe mensen denken over zichzelf en de sociale wereld; specifieker: hoe
mensen sociale informatie selecteren, interpreteren, herinneren en gebruiken
om oordelen te vormen en beslissingen te nemen.
Kurt Lewin (1890-1947):
Grondlegger van de moderne experimentele sociale psychologie.
Past de gestaltprincipes niet alleen toe op de perceptie van objecten, maar ook op sociale perceptie.
Stelt dat het belangrijker is om te begrijpen hoe mensen de sociale wereld waarnemen, doorgronden en
interpreteren (dan om de objectieve eigenschappen ervan te begrijpen).
Stromingen:
Persoonlijkheidspsychologie: onderzoekt de kenmerken die maken dat individuen uniek zijn en van elkaar
verschillen.
Sociologie: verschaft algemene wetten en theorieën over samenlevingen, maar niet over individuen.
Sociale psychologie: onderzoekt de psychologische processen die mensen met elkaar gemeenschappelijk
hebben en hen gevoelig maken voor sociale invloed.
Gestaltpsychologie: benadrukt het belang van het bestuderen van de persoonlijke, subjectieve manier
waarop een object in het geheel wordt waargenomen, i.p.v. het bestuderen van de manier waarop
objectieve, fysieke eigenschappen van het object zijn samengevoegd.
Fenomenologie: filosofische methode die probeert door de geestelijke, intuïtieve beschouwing van de
dingen (en niet door rationele kennis) de constitutie van de wereld in de geest en het wezen der dingen te
beschrijven.
Behaviorisme: stelt dat je om menselijk gedrag te begrijpen slechts hoeft te kijken naar de bekrachtigende
eigenschappen van de omgeving.
Aspecten van onderzoek:
Externe validiteit: de mate waarin de resultaten van een onderzoek gegeneraliseerd kunnen worden naar
andere situaties en mensen.
Interne validiteit: de mate waarin alle omstandigheden (behalve de onafhankelijke variabele) in een
experiment gelijk worden gehouden.
Afhankelijke variabele: de variabele die gemeten wordt om te zien of die wordt beïnvloed door de
onafhankelijke variabele.
Onafhankelijke variabele: de variabele die gevarieerd of veranderd wordt om te zien of dat effect heeft op
een andere variabele.
Experimentele methode: onderzoeksmethode waarbij de onderzoeker proefpersonen willekeurig aan
verschillende condities toewijst en ervoor zorgt dat deze condities identiek zijn, met uitzondering van de
onafhankelijke variabele.
Correlationele methode: techniek waarbij twee of meer variabelen worden gemeten om vast te stellen of er
een relatie tussen die variabelen is.
Hoofdstuk 2 | Methodologie: hoe doen sociaal psychologen onderzoek?
Begrippen hoofdstuk 2
Hindsight bias De neiging van mensen om hun vermogen om een uitkomst te voorspellen te
overdrijven nadat ze te weten zijn gekomen hoe die uitkomst eruitziet.
Observationele methode Techniek waarbij een onderzoeker mensen observeert en zijn of haar
metingen of indrukken over hun gedrag systematisch vastlegt.
Etnografie Methode waarbij een onderzoeker probeert een groep of cultuur te begrijpen
door die van binnenuit te observeren, zonder de groep zijn eigen normen en
waarden op te leggen.
Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
De mate van overeenkomst tussen de resultaten van twee of meer mensen
die onafhankelijk van elkaar een dataset observeren en coderen.
Analyse van archieven Vorm van de observationele methode waarbij de onderzoeker de verzamelde
documentatie, oftewel de archieven, van een cultuur onderzoekt
(bijvoorbeeld dagboeken, romans, tijdschriften en kranten).
Correlationele methode Techniek waarbij twee of meer variabelen systematisch worden gemeten en
waarmee wordt vastgesteld wat de relatie is tussen die variabelen.
Correlatiecoëfficiënt Een maat voor correlatie waarmee je de samenhang kunt vaststellen tussen
twee variabelen (bv. in welke mate gewicht samenhangt met lengte).
Vragenlijstonderzoek (surveys) Onderzoek waarin aan een representatieve steekproef van mensen (vaak
anonieme) vragen gesteld worden over hun attitudes of gedrag.
Aselecte steekproef Manier om ervoor te zorgen dat een steekproef representatief is voor de
populatie doordat iedereen in die populatie evenveel kans heeft om
geselecteerd te worden voor de steekproef.
At random steekproef
(randomisatie)
Het willekeurig ordenen of in groepen indelen van een populatie.
Experimentele methode Methode waarbij de onderzoeker proefpersonen willekeurig aan
verschillende condities toewijst en ervoor zorgt dat deze condities identiek
zijn met uitzondering van de onafhankelijke variabele (de variabele waarvan
men denkt dat hij een causaal effect heeft op de antwoorden of reacties van
de mensen).
Onafhankelijke variabele De variabele die een onderzoeker verandert of varieert om te zien of dat
effect heeft op een andere variabele.
Afhankelijke variabele De variabele die de onderzoeker meet om te zien of die wordt beïnvloed door
de onafhankelijke variabele; de onderzoeker heeft de hypothese dat de
afhankelijke variabele afhangt van de onafhankelijke variabele.
Interne validiteit De mate die aangeeft dat de onafhankelijke variabele (en alleen de
onafhankelijke variabele) van invloed is op de afhankelijke variabele; dat
bereiken we door alle irrelevante variabelen te beheersen en door mensen
willekeurig toe te wijzen aan verschillende experimentele condities.
Willekeurige (random)
toewijzing aan een conditie
Een proces dat ervoor zorgt dat alle deelnemers een gelijke kans hebben om
in een bepaalde conditie van een experiment terecht te komen. Door
willekeurige toewijzing kunnen onderzoekers er relatief zeker van zijn dat
verschillen in de persoonlijkheid of achtergrond van de deelnemers gelijk
verdeeld zijn over de condities.
Overschrijdingskans (p-waarde) Een met statistische technieken berekend getal dat vertelt hoe waarschijnlijk
het is dat de resultaten van een experiment bij toeval zijn ontstaan, en niet
als gevolg van de onafhankelijke variabele. Resultaten mogen significant
genoemd worden als de waarschijnlijkheidswaarde (de kans dat de resultaten
het gevolg zijn van toevalsfactoren i.p.v. de onderzochte onafhankelijke
variabele) minder dan 5 procent is.
Externe validiteit De mate waarin de resultaten van een onderzoek gegeneraliseerd kunnen
worden naar andere situaties en andere mensen.
Psychologisch realisme De mate waarin de psychologische processen die worden getriggerd in een
experiment lijken op psychologische processen in het dagelijks leven.
Powered by https://learnexams.com/search/study?query=aqa