- / 5
- / 5
- / 5
- Spelling van werkwoorden
1.1 Tegenwoordige tijd (persoonsvorm) Wanneer je het werkwoord lopen gebruikt, let dan op de uitgang van de persoonsvorm:
Hoor je in “lopen” geen -t, dan gebruik je alleen de stam: ik loop.
Hoor je wel een -t, dan gebruik je stam + t: jij loopt, hij loopt.
Docent: Het rijtje “jij = stam + t” en “hij = stam + t” geldt voor meeste werkwoorden in tegenwoordige tijd, behalve bij uitzonderingen zoals “jij bent”.DUS>> jij loopt, hij loopt.
1.2 Verleden tijd (persoonsvorm)
Er wordt onderscheid gemaakt tussen zwakke en sterke werkwoorden:
Zwak werkwoord: geen klinkerverandering. Je schrijft het werkwoord zoals je het hoort.
Voorbeeld: “Ik werd boos.” “Vond jij het goed?”
Sterk werkwoord: er is een klinkerverandering. In de verleden tijd eindigt zo’n werkwoord nooit op dt.Voorbeeld: “Hij werd boos.” “Jij vond het goed.” 4 / 5