Scheikunde H10 10.4 Chromatografie Papierchromatografie Bij papierchromatografie wordt gebruik gemaakt van de oplosbaarheid van een stof en zijn aanhechtingsvermogen aan het papier. Hoe beter de stof oplost hoe hoger het eindigt op het papier en hoe beter de stof aanhecht hoe lager hij op het papier zal eindigen.
Loopvloeistof: mobiele fase
Papier: stationaire fase
Rf-waarde berekenen:
Rf = afstand startlijn tot middelpunt van vlek / afstand startlijn tot einde van loopvloeistof Hier is A = a/b Glas/plastic waarop een laag silicaat (SiO2) zit wordt veel gebruikt voor chromatografie, dit is dunnelaagchromatografie, TLC. Hierbij is silicaat de stationaire fase.Principe van de scheiding Bij chromatografie krijg je een verdelingsevenwicht tussen de stationaire- en de mobiele fase. Als je met stof A chromatografie zal uitvoeren dan zal het volgende evenwicht
ontstaan:
Amobiele fase⇄ Astationaire fase
met de evenwichtsvoorwaarde:
Kv = [As] / [Am] Als stof A voorkeur heeft voor de mobiele fase zal een groot deel in de vloeistof oplossen en maar een klein deel hechten aan het silicaat. Vervolgens treedt een evenwichtsverschuiving op waardoor de gehechte deel weer loslaat en wordt meegenomen door de mobiele fase, dit gaat zo door.Kolomchromatografie Bij kolomchromatografie is de stationaire fase de kolom die een polaire of apolaire stof bevat en de mobiele fase een gas of vloeistof. Omdat de stoffen in de mengsel korter of juist langer gebonden blijven aan de stationaire fase komen ze gescheiden van elkaar uit de kolom. Hoelang het duurt voordat een stof uit de kolom is heet de retentietijd (tR). De scheiding in de kolom komt tot stand door de specifieke eigenschappen van de stationaire fase. Zo bewegen apolaire stoffen in een kolom met een apolaire stationaire fase langzaam en komen dus later uit de kolom dan de polaire stoffen.
- / 1