1 H1
- 18e eeuw: kolonisten infectieziekten, malaria en dysenterie (bloeddiarree). Immuunfuncties
- 19e eeuw: tbc, einde 19e eeuw daling doden, verbetering hygiene, weerstand (voeding).
- 20e eeuw: stijging levensverwachting, verschuiving infectieziektes naar chronisch.
beperkt, oorspronkelijke bevolking nog nooit blootgesteld aan nieuwe micro organismen.
Hervorming gezondheid.
- tot 24jr.: belangrijkste doorsoorzaak ongeval. Daarna (15-24 jr): levensberoving, zelfmoord, kanker
en cardiovasculaire ziektes.
Trepanatie: gaten in schedels om demonen eruit te laten die mentale ziekte veroorzaakten.Griekse filosofen vroegst geschreven ideeen over fysiologie ziekte en geest.Hippocrates: humoral theory = 4 lichaamsvloeistoffen (humors) die samen balans vormen.
Plato: eerste lichaam geest verschillende entiteiten. Lichaam geestprobleem.
Galen: ontleedde dieren, idee verschillende ziekten verschillende effecten, grieks 2 eeuw.Kerk: mens wezen met ziel en vrije wil, apart van gewone natuurlijke wetten. Kan geen object van wetenschappelijk onderzoek zijn. Hinderde ontwikkeling naar medicijnen en anatomie. Ziekte straf van god. Priesters ziekte behandelen (martelen, kwade geesten uitdrijven) tot 13e eeuw (st thomas Aquinas zag geest lichaam niet als gescheiden maar onderling gerelateerd.
- 14 en 15e eeuw: renaissance, wedergeboorte, onderzoek cultuur politiek (europa). Meer mens
- lichaam als machine ( actie en sensatie, reflexen theorie)
- lichaam geest communiceren door pineal gland (epifyse, pijnappelklier)
- dieren geen ziel en ziel mensen verlaat lichaam na dood. Maakte ontleding mogelijk.
gecentreerd ipv god) 17e eeuw: descartes: lichaam geest gescheiden maar:
18 19e eeuw: kennis in wetenschap en geneeskunde groeide , microscoop, gebruik van dissectie in autopsies.microorganismen veroorzaken ziekte, Halverwege 19e eeuw: chirurgie, steriel, en verdoving. Vertrouwen in doctoren herstelde
19 en 20e eeuw: Biomedisch model (geleid tot ontwikkeling vaccinaties, antibiotica): ziekte en lichamelijke aandoeningen verklaard door verstoring fysiologische processen gescheiden van psychologische en sociale processen van geest. Nog steeds dominante theorie op geneeskunde (medicine) nu.William Osler: geest kan gezondheid beinvloeden. Rol stres op hart: focus van modern medisch onderzoek.Persoon als uniek individu niet opgenomen in biomedische model
Risicofactoren: 1 biologisch zoals genen, 2 gedragsmatig zoals roken. Risicofactor geassocieerd met probleem, mogelijk niet veroorzakend.Gedragsmatige risicofactoren geassocieerd met top 5 doodsoorzaken (USA)
- hartziekte (roken, hoog cholesterol,obesitas, gebrek aan lichaamsbeweging)
- kanker (roken, hoogalcoholgebruik, voeding)
- beroerte (roken, hoog cholesterol, gebrek aan lichaamsbeweging)
- COPD (chronische longziektes, roken)
- ongelukken (alcohol drugsgebruik, verkeer).
Hoge medische kosten veroorzaakt door levenswijze (gedragsoorzaken dus). Waarom mensen
ongezonde levensstijl:
- snel genot (vaak ongezond)
- sociale druk (leidt soms tot ongezond gedrag)
- gewoonte/ verslaving (roken)
- niet bewust van gevaren of hoe gedrag te veranderen 1 / 4
2
Persoonlijkheid: cognitieve, affectieve of gedragsmatige neigingen die redelijk stabiel zijn over tijd en situaties. Persoonlijke eigenschappen gekoppeld aan gezondheid. Werkt 2 kanten op: persoonseigenschappen verhogen bepaald risicovol gedrag, ziekte veroorzaakt persoonlijke kenmerken (zoals emotionele aanpassing en zienswijze).
Vroege 20e eeuw: Sigmund Freud: psychologie en geneeskunde met elkaar verbonden. Fysieke symptomen zonder waarneembare organische stoornis.Psychoanalytische theorie: symptomen door onbewuste emotionele conflicten = conversiehysterie.Willen begrijpen van deze coditie leidde tot ontwikkeling psychosomatische geneeskunde = toegewijd aan interactie tussen emotioneel leven en lichamelijke processen. Psychosomatisch = lichaam en geest beide betrokken.Vroeger interpretaties voor specifieke echte gezondheidsproblemen, nu breder veld onderlinge relatie tussen psychologische, sociale biologische en fysiologische functies en ontwikkeling en beloop ziekte.1970: nieuwe gebieden om rol psychologie in ziekte te bestuderen:
- gedragsmatige geneeskunde (behavioral medicine)
- gezondheidspsychologie (health psychology)
Behaviorisme: belangrijke basis voor gezondheidspsychologie, gedrag = resultaat van 2 vormen van
leren:
klassieke conditionering: geconditioneerde stimulus lokt reactie uit door asociatie met ongeconditioneerde stimulus.Operante conditionering: gedrag wordt veranderd door consequenties: beloning of straf.1970: emotie beinvloedt lichamelijke functie: fysiologische systemen kunnen gecontroleerd worden door feedback -> Biofeedback: fysiologische processen worden gecontroleerd (dmv apparaat) zodat persoon controle over kan krijgen. Betrekt operante conditionering, feedback dient als versterker.
Matarazzo: 4 doelen gezondheidspsychologie:
- promoten en handhaven gezondheid ( media campagne, school gezondheidsprogramma)
- voorkomen en behandelen van ziekte (klinische training, rehabilitatie, psychologische principes om
- identificeren van oorzakenen diagnostische correlaties van gezondheid, ziekte en dysfunctie.
- analyseren en verbeteren van stelsels voor gezondheidszorg en gezondheidsbeleid. (adviseren
gezondheidsproblemen te voorkomen, zoals voorkomen van hoge bloeddruk)
(studie)
specialisten)
Psychosomatische geneeskunde: interdisciplinair,nauw verbonden met medische disciplines, psychiatrie voor psychische ziektes Gedragsmatige geneeskunde: interdisciplinair, focus op interventies die gezonde levenswijze promoot zonder medicijnen of operatie Gezondheidspsychologie: gevestigd in psychologie, focus op klinishc, sociaal, ontwikkelings, experimeenteel en fysiologische psychologie om emotionele processen te identificeren en te wijzigen die tot ziektes leiden en om functioneren en herstel te verbeteren.Overeenkomst tussen 3: gezondheid en ziekte = resultaat van intereactie biologische psychologische en sociale krachten.
Gezondheidspsychologen werken in ziekenhuizen, klinieken en academische departementen
universiteiten. Bieden:
- Directe hulp: 1. patienten helpen aanpassen aan en beheren van gezondheidsproblemen, 2.
therapie geven voor emotionele en sociale aanpassingsproblemen die ziekte kan veroorzaken, 3. 2 / 4
3 helpen veranderingen in gedragsmatige risicofactoren aan te brengen doorpsychologische methodes (vb biofeedback)
- indirecte hulp: 1. Onderzoeken (wetenschappelijk), 2 programmas ontwerpen, 3.
Gezondheidsprofessionals onderwijzen.
Biopsychososiale model: uitbreiding biomedische kijk, biologisch, psychologischen sociaal. Alle drie van invloed open beinvloed door gezondheid van persoon (werkt 2 richtingen op)
- biologische factoren: genetisch, functie en structuur fysiologie, hoe effectief lichaam en geest met
- psychologische factoren: beschrijven van gedragsmatige en mentale processen:
elkaar samenwerken
Cognitie: waarnemen, leren, herinneren, denken, interpreteren, geloven, problemen oplossen.
Emotie: subjectief, beinvloed door onze gedachtes gedrag en fysiologie
Motivatie: brengt activiteit op gang, kiest richting en volhard.
- sociale factoren: sterk motiverende kracht: samenleving (media), gemeenschap (omgeving, buren,
gezondheidsbeleid), familie
Systeem Holistisch: persoon als geheel bekeken (gebruikt in het biopsychosociale model). Breed scala van alternatieve benaderingen om gezondheid te promoten.Systeem: dynamische entiteit met componenten die continu met elkaar verbonden zijn.
- Sociale systemen: maatschappij, gemeenschap, familie (buiten de persoon)
- Psychologische systemen (ervaringen en gedrag): cognitie, emotie, motivatie (binnen persoon)
- Biologische systemen (genetich en fisieke): organen, weefsel, cellen (binnen persoon)
Levensloop perspectief: kijkt naar iemands voormalige en huidige gedrag en probeert voorspellingen te maken over toekomst. Kijkt ook naar levensfase. Gezondheid en ziekte varieren met ontwikkeling.Gender perspectief: mannen en vrouwen verschillen in biologisch functioneren, gezondgerelateerd gedrag, sociale relaties, ervaren van stress, risico’s op specifieke ziektes.
Verwand aan gezondheidspsychologie: geneeskunde, epidimiologie, volksgezondheid, sociologie, antropologie, gezondheidseconomie, gezondheidsbeleid.Epidemiologie: wetenschappelijke studie van de verspreiding en frequentie van ziekte en letsel.
Mortaliteit: sterfte op bepaalde (grote) schaal binnen bepaalde periode.
Morbiditeit: ziekte, letsel of handicap (afwijkingen in gezondheid)
Prevalentie:totaal aantal zaken van ziekte (zowel bestaand als nieuw)
Incidentie: aantal nieuwe zaken
Epidemie: aantal van meestal infectieziekten enorm gestegen (snelle toename van incidentie) Volksgezondheid is begaan met beschermen handhaven en verbeteren van gezondheid door georganiseerde inspanning in gemeenschap. Bestudeert gezondhied en ziekte in context vangemeenschap als sociaal systeem. Het succes van deze programmas en manier waarop individuen hierop reageren zijn van belang voor gezondheidspsychologen.Sociologie: focust op menselijk en sociaal leven (groepen), impact van massamedia, bevolkinsgroei e.d. impact sociale relaties, sociaal economische factoren, organisatie ziekenhuisservices en medische praktijken
Antropologie: studie naar menselijke culturen
Gezondheidseconomie: bestuderen vraag en aanbod voor gezondheidsbronnen, lasten baten en kosten van gezondheidszorg.Gezondheidsbeleid: bestudeert beslissingen, plannen en acties genomen door overheid mbt gezondheidszorg en gerelateerd gedrag. Kan belangrijk effect hebben op gezondheidsgedrag van individuen.
- / 4
4 H2 Zenuwstelsel: integreert constant acties van onze inwendige organen. Geeft commando’s af door
netwerk van biljoenen gespecialiseerde zenuwcellen: neuronen.
- dendriet: ontvangers boodschappen
- axon: lange verbinding (gemeylineerd, ongemyleneerd.)
- synaptische knopen: verbinden dendrieten van andere neuronen doorgaans door synaptische spleet
- synapsen: knooppunten gevuld met vloeistof, waar boodschap doorgegeven wordt aan
(met vloeistof gevuld)
aangrenzende neuronen. Boodschap bevat elektrochemische activiteit.-ionen: electrisch geladen deeltjes veroorzaakt door bepaalde mate van chemische lading dat door de dendrieten binnenkomt. Een impuls van een electrisch potentiaal wordt getriggerd.Neurotransmitters kunnen inhiberen (remmen) of exhiberen (versterken).
Epilepsy: grote groep neuronen vuurt ongecontroleerd.
Bij baby is basisstructuur gevormd voor bijna alle neuronen, zenuwstelsel is nog niet rijp. Hersenen wegen minder (25%) dan volwassenen. Toename in gewicht hersenen komt door toename in gliale cellen en toename myeline.
Gliale cellen: in dienst van en onderhouden neuronen.
MS: ontaardt myeline schede, zenuwen verbroken.
Groei baby -> uitbreiding netwerk dendrieten en synaptische knopen (aantal cellichamen blijft gelijk!) Myeline toename van boven naar beneden (celaufaudaal). Uit zich in motorische vaardigheden, eerst hoge gebieden onder controle vervolgens naar beneden uitgewerkt.In vroege volwassenheid: hersenen langzaam in gewicht afnemen, aantal hersencellen veranderd niet veel, synapsen wel-> leidt tot afnameinvermogen om zenuwimpulsen te sturen. Merkbaar met 50/ 60 jaar.
Zenuwstelsel 2 divisies:
• centrale zenuwstelsel: hersenen en ruggenmerg = centrale sturingssysteem. Ruggenmerg verbindingsweg met perifere stelsel.• perifere zenuwstelsel: overgebleven netwerk zenuwcellen/ neuronen door het hele lichaam.
Perifeer onderverdeelt in:
- somatische zenuwstelsel: verzorgt communicatie tussen centrale zenuwstelsel en zintuigenen
- autonome zenuwstelsel: verzorgt communicatie tussen centrale zenuwstelsel en verschillende
motorische functies. Belangrijke rol bij zien, horen,proven,ruiken, voelen, bewegen.
organen. Regelt belangrijke lichaamsfuncties zoals hartslag en spijsvertering.
Autonome onderverdeeld in:
- sympatische zenuwstelsel: mobiliseren en gebruiken energie, reageert direct op emoties
- parasympatische zenuwstelsel: energie conservatie en kalmeren na lichamelijke stimulatie.
Hersteld weer van sympatische.
Centrale zenuwstelsel: hersenen en ruggengraad
Algemene regel: bovenste (buitenste) gedeelte van hersenen, betrokken bij perceptuele, motorische, leren en conceptuele activiteiten. 2 subdivisies Lagere (centrum) gebieden vooral betrokken bij interne en automatische lichaamsfuncties en overdracht van informatie van en naar telencephalon, fysieke en emotionele arousal.
Hersenen onderverdeeld in 3 delen: forebrain, cerebellum en brainstem
• Forebrain. Bovenste gedeelte hersenen. Onderverdeelt:
- diencephalon: 1. thalamus en 2. hypothalamus
- Thalamus is centrum/ schakelstation waarsensorische info wordt opgevangen en doorgestuurd.
- / 4
Opdrachten vanuit skeletspieren naar motorische gebieden sturen.