1.Casus diabetes: Je bent wijkverpleegkundige op weg naar Kirsten van 8
jaar oud. Zij is bekend met diabetes type I sinds een paar weken. Jij helpt haar en haar ouders met het wennen aan een aangepast dieet, het regelmatige meten van de glucose middels vingerprik en het hierop afstemmen van de medicatie. Het is 12 uur wanneer je arriveert bij Kirsten en haar familie. De moeder heeft het enorm druk met de huishouding en de andere 4 kinderen en stuurt je daarom meteen door naar de tuin waar Kirsten volgens moeder aan het spelen is. Je treft Kirsten aan die op de grond zit tussen de stoepkrijt maar niet aan het tekenen is. Als je haar begroet, merk je dat er iets anders is dan de laatste keer dat je haar zag.Je vraagt hoe het met Kirsten gaat. Het meisje geeft aan dat zij niet zo lekker is. Je pakt je zakkaart erbij en stelt gericht vragen. Kirsten vertelt dat zij last van hoofdpijn en duizeligheid heeft. Je vind haar ook wat klam en bleek uitzien. Op basis van deze bevindingen besluit je meteen Kirsten te assisteren bij het prikken van haar bloedglucose. Het resultaat van de vingerprik is een glucosewaarde van 2,4mmol/L. Je haalt de moeder van Kirsten erbij en legt uit wat er nu moet gebeuren.
1.Kirsten is bekend met diabetes type I, een ziekte waarbij de pancreas onvoldoende insuline aanmaakt. Leg in eigen woorden uit, wat de functie van insuline in je lichaam is met betrekking tot de koolhydraatstofwisselingen. Insuline zorgt ervoor dat de bloedglucosespiegel verlaagd wordt, doordat glucose de cel in kan, zodat glucose naar binnen kan om te worden verbrand tot energie.
2.Wanneer te weinig insuline beschikbaar is, heeft dit daarom gevolgen voor de glucosestofwisseling. Wat gebeurt er met de glucose in het bloed bij afwezigheid van insuline? Benoem de gevolgen hiervan en gebruik daarbij de zakkaart uit de casus. De glucose komt niet in de lichaamscellen en daardoor blijft er te veel glucose in het bloed zitten.Doordat de cellen niet kunnen verbranden en energie vrij kunnen maken ontstaan klachten als moeheid, duizeligheid etc zoals op de zakkaart staat. Als verpleegkundige ga je de urine sticken om te kijken hoeveel glucose en ketonen er in de urine zit. Als iemand met een ketoacidose wordt opgenomen zullen de ketonen en glucose steeds minder worden. Ketonen zijn een afbraakproduct van vet. Lactaat is een afbraakproduct van melkzuur. Als er te veel afbraakproducten in het bloed zitten, verzuurt het bloed.
3.Op basis van de anamnese, lichamelijk onderzoek en aanvullende diagnostiek bij Kirsten stel je de juiste diagnose. Wat moet er nu gebeuren? Er moeten zowel kort- als langzaamwerkende suikers worden gegeten om de glucosewaarde weer omhoog te brengen.
4.Bespreek met Kirsten en haar moeder hoe deze situatie in de toekomst voorkomen kan worden en gebruik hiervoor je kennis over de oorzaken van deze metabole ontregeling. Kirsten moet genoeg eten en voor de inspanning genoeg kort- en langwerkende suikers eten. Vaker op vaste tijden wat eten. Een extra snack voor inspanning. Ook altijd ervoor zorgen dat er genoeg snackjes zijn voor ongeplande activiteiten, zodat er altijd genoeg voeding is.
Diabetes mellitus type 1: de eilandjes van langerhans werken niet goed of
helemaal niet. De alvleesklier maakt te weinig of geen insuline aan.Diabetes mellitus type 2: er blijft te veel glucose in het bloed zitten. 1 / 2
2.Leerboek lezen: overzicht van de koolhydraatstofwisseling: Cellen breken organische moleculen af om energie te verkrijgen.
Er wordt ATP gevormd: de belangrijkste hoogenergetische verbinding
van het lichaam.Om energie vrij te maken hebben cellen zuurstof en voedingsstoffen nodig.Zuurstof wordt in de longen opgenomen.Het spijsverteringskanaal neemt voedingsstoffen op.Voedingsstoffen zijn noodzakelijke stoffen zoals water, vitaminen, mineralen, koolhydraten, vetten en eiwitten.
Stofwisseling (metabolisme): alle chemische reacties die in het lichaam
plaatsvinden.Katabolisme: de afbraak van organische moleculen. Stappen: 1.Enzymen breken grote organische moleculen af tot kleinere fragmenten. Koolhydraten worden tot monosachariden afgebroken.Koolhydraten zijn belangrijke energiebronnen.
Celademhaling: de reactie waarbij ATP en andere energierijke
verbindingen worden gevormd door de afbraak van koolhydraten.
Stappen:
1.Glycolyse: het breekt glucose af tot kleinere moleculen die door
mitochondria kunnen worden opgenomen en verder worden gebruikt.Er is geen zuurstof nodig bij deze stappen, dus het wordt anaeroob genoemd.Bij de daaropvolgende reacties in de mitochondria wordt zuurstof verbruikt, dit wordt dus aeroob genoemd.Glycolyse is de afbraak van glucose tot pyruvaat.
Voor glycolyse zijn de volgende stoffen nodig:
Glucosemoleculen.De juiste enzymen in het cytosol.ATP en ADP.
NAD > co-enzym: organische moleculen, meestal afgeleid van
vitaminen, die aanwezig moeten zijn, omdat de enzymatische reactie anders niet kan plaatsvinden.
Gluconeogenese: de synthese van glucose uit andere voorlopermoleculen dan
koolhydraten.Glucosemoleculen die tijdens de gluconeogenese worden gevormd, kunnen worden gebruikt om andere enkelvoudige suikers, complexe koolhydraten, of nucleïnezuren te vormen.Glucosemoleculen worden in de lever en in skeletspieren in de vorm van glycogeen opgeslagen.
3.Lees de volgende websites van het voedingscentrum over verschillende vitaminen en focus daarbij op de functie en wat er voor problemen ontstaan bij een tekort aan deze vitaminen.
Vitamine B6:
Functies:
Belangrijk voor de stofwisseling, vooral voor de afbraak en opbouw van aminozuren. Aminozuren zijn de bouwstenen van eiwitten.Regelt de werking van bepaalde hormonen.
- / 2