STAATSRECHT
1.Welke drie aspecten vertoont een staat a.Aanwezigheid van een volksgemeenschap b.Een eigen afgegrensd grondgebied c.Een orgaan met de hoogste macht 2.Welke drie machten onderscheidde Montesquieu a.Wetgevende macht b.Uitvoerende macht c.Rechterlijke macht 3.Hoe luidde de theorie, en welke macht vond hij het belangrijkste a.De drie machten mogen niet in een hand komen te liggen. Iedere macht heeft eigen bevoegdheden. De wetgevende macht is de belangrijkste 4.Hoe heet deze theorie met twee woorden a.Trias Politica 5.Wat is decentralisatie a.Als staatsmacht niet alleen bij één overheid ligt, maar ook bij lagere overheden 6.Welke twee vormen van decentralisatie kennen we in Nederland a.Territoriale spreiding b.Functionele spreiding 7.Nederland is een eenheidsstaat, waaruit blijkt dat a.Hogere overheden kunnen lagere overheden overrulen b.Hogere overheden oefenen controle uit op lagere overheden 8.Noem enkele lagere overheden a.Provincie b.Gemeente 9.Wat houd spontane vernietigingsbevoegdheid in a.Hogere overheden kunnen uitspraken van lagere overheden vernietigen 10.Hoe vallen de Staten-Generaal uiteen a.Eerste en Tweede Kamer 11.Geef drie kenmerken van een democratie a.Bron van de staatsmacht berucht op de hele bevolking b.Iedere burger kan in volle vrijheid stemmen c.Geen beperkingen in verkiesbaarheid 12.Wat is het verschil tussen passief en actief kiesrecht a.Actief is het stemmen op anderen b.Passief is het laten stemmen op jezelf 13.Onder welke voorwaarde bezit iemand actief kiesrecht a.Nederlander b.18+ c.Niet veroordeeld voor een vrijheidsstraf van ten minste een jaar d.Niet geestelijk onbekwaam zijn tot het verrichten van rechtshandelingen 14.Onder welke voorwaarde bezit iemand passief kiesrecht a.Nederlander b.18+ c.Niet uitgesloten van het kiesrecht 15.Geef een ander woord voor tweede kamer a.Parlement 1 / 4
16.Wat verstaan we onder het districtenstelsel a.Kandidaten voor het parlement worden per district gekozen. Er is één zetel beschikbaar 17.Wat verstaan we onder het stelsel van evenredige vertegenwoordiging a.Kandidaten worden landelijk gekozen. Hier gaan de aantal zetels uit van de kiesdeler 18.Wat is de kiesdeler
a.Totaal aantal stemmen : aantal te verdelen zetels
19.Wat houd een restzetel in a.De zetel die na de formule overblijft 20.Uit hoeveel leden bestaat de eerste en tweede kamer a.Eerste Kamer 75 b.Tweede Kamer 150 21.Leg uit in hoeverre de leden van de eerste kamer gekozen worden door de burgers a.Eerste Kamer wordt gekozen door de Provinciale Staten. En de burgers kiezen de PS.Hierdoor kan wel een voorkeur gegeven worden 22.Wat wordt bedoeld met het presidium a.Een voorzitter en een plaatsvervanger 23.Wat is een politieke partij a.Een vereniging met een eensgezinde politieke voorkeur 24.Op welke wijze komen mensen in de tweede kamer a.Als er genoeg stemmen zijn voor een partij, gaat de persoon boven op de kandidatenlijst naar de Tweede Kamer b.Voorkeursstemmen 25.Wat zijn voorkeursstemmen a.Als iemand op een onverkiesbare plaats staat, maar er veel op deze individu is gestemd.
26.Wat is een fractie a.Groep personen van dezelfde partij in de Eerste of Tweede Kamer 27.Wie vormen de regering a.Koning en de ministers 28.Wat is het kabinet a.Alle ministers en staatssecretarissen 29.Wat betekend een monarchie a.Het staatshoofd is de koning, die via vererving wordt aangewezen 30.Wanneer en waarover vergaderd de ministerraad a.Vrijdag, over het algemene regeringsbeleid 31.Wat is een demissionair kabinet a.Een tijdelijk kabinet tussen de verkiezingen door, totdat het nieuwe kabinet is geformeerd 32.Welke rol hebben een informateur en een formateur a.Onderzoeken welke partijen met elkaar samen moeten gaan werken 33.Kunnen leden van de tweede kamer tot minister worden genoemd a.Ja 34.Wat is een regeerakkoord a.Hoe bepaalde politieke kwesties in het nieuwe kabinet worden aangepakt, en in welke prioriteit 2 / 4
35.Wat houdt een regeringsverklaring in a.Daarin wordt verantwoording afgelegd over wat zich tijdens de kabinetsformatie heeft afgespeeld 36.Noem enkele departementen met hun hoofd a.Ministerie van Defensie, Mindef b.Ministerie van Buitenlandse Zaken, MinBuZa 37.Wat is een minister zonder portefeuille a.Een minister die niet de leiding heeft over een departement 38.Wat is een staatssecretaris a.Een persoon verbonden aan het departement, met maar een deel van het takenpakket.
39.Geef een ander woord voor wetgeving a.Regelgeving 40.Geef een omschrijving voor regel a.Algemeen besluit, niet gericht op een bepaalde groep mensen 41.Wat betekend attributie a.Rechtstreekse toekenning van wetgevende bevoegdheden aan staatsorganen 42.Wat betekend delegatie, en welke specifieke kenmerken vertoont die a.Wetgevende bevoegdheid overdragen van ene orgaan naar andere orgaan b.De verkrijger oefent dit op eigen verantwoordelijkheid uit c.Overdrager kan de bevoegdheid niet meer naar zich toetrekken 43.Welke organen op centraal niveau kunnen tot regelgeving overgaan a.Regering en Staten-Generaal 44.Is de Grondwet een wet in formele zin a.Ja 45.Wat is een algemene maatregel van bestuur a.Een wet vanuit de regering 46.Kunnen in een AMvB straffen worden opgenomen bij overtreding a.Nee 47.Wat houdt het recht van initiatief in en welke van de Kamers heeft dit recht a.Een wetsvoorstel doen, de Tweede Kamer 48.Geef in hoofdlijnen de procedure aan voor een wet in formele zin a.Voorbereiding, behandeling ministerraad, advies Raad van State, behandeling Tweede Kamer, behandeling Eerste kamer, ondertekening, plaatsing Staatsblad 49.Van welk orgaan is afkomstig a.De memorie van toelichting; Ministerraad b.Het verslag; Vaste Kamercommissie c.De nota naar aanleiding van het verslag; Minister d.Het eindverslag; Vaste Kamercommissie 50.Wat houdt het recht van amendement in a.Het recht om veranderingen aan te brengen in het wetsvoorstel 51.Wat is het ministeriële contraseign a.De minister en de koning tekenen de wet 52.Hoe treedt een wet in formele zin in werking a.Na de plaatsing in het Staatsblad 53.Welke extra vereisten worden gesteld aan een wijziging van de Grondwet 3 / 4
a.Tweede Kamer wordt ontbonden, nieuwe verkiezingen, nieuwe Kamer, nieuwe stemronde.
54.Waarin verschilt de totstandkoming van een AMvB met die van een wet in formele zin a.Parlement wordt gepasseerd 55.Welke vorm heeft een AMvB a.Koninklijk Besluit 56.Hoe vindt publicatie van een ministeriële regeling plaats a.Staatscourant 57.Wat houdt een nachtwakersstaat in, wat is een sociale verzorgingsstaat a.Nachtwakersstaat; staat had zeer weinig taken, alleen beveiliging en onderwijs b.Sociale verzorgingsstaat; overheid bemoeid zich vrijwel overal mee 58.Welke voordelen hebben delegatie en sub delegatie a.Via wetgeving een slagvaardiger beleid b.Deskundigheid neemt toe c.Dichterbij burgers 59.Welke taken vallen onder de bestuurlijke macht a.Alles tussen de regels en de geschillen die daaruit ontstaan 60.Welken organen op centraal niveau oefenen bestuurlijke macht uit a.Ministers en staatssecretarissen b.Ministers individueel 61.Aan welk orgaan is de regering verantwoording schuldig wat betreft de door haar verrichte bestuurshandelingen a.Staten-Generaal 62.Wat is een begroting, hoe wordt zij vastgesteld a.Overzicht van gelden die een minister uitgeeft voor zijn beleid 63.Wat houdt het vragenrecht in a.Recht om vragen te stellen aan een minister 64.Wat houdt het recht van interpellatie in a.Recht om een debat met een minister te houden 65.Wat is een motie a.Een oordeel over beleidsdaden van een minister, of formuleren van een verzoek 66.Wat houdt het recht van enquête in a.Recht om een commissie in te stellen die zelfstandig onderzoek doet 67.Wat houdt het budgetrecht in a.Alle inkomsten en uitgaven moeten per wet bekend worden gesteld. Hierin gaan de ministers in debat 68.Wat is de Miljoenennota a.Overzicht van de financiële situatie waarin het land zich op dat moment bevind 69.Geef een omschrijving van strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid a.De minister is verantwoordelijk als hij de Grondwet of gewone wetten schendt 70.Geef aan wat onder politieke ministeriële verantwoordelijkheid wordt verstaan a.Minister is verantwoordelijk over de juistheid van zijn gevoerde beleid 71.Noem de drie grondregels van het Nederlandse parlementaire stelsel a.Minister heeft vertrouwen nodig van de Staten-Generaal b.Minister is politiek verantwoordelijk c.Staten-Generaal kunnen niet meer dan eenmaal naar aanleiding van hetzelfde conflict worden ontbonden
- / 4