2324 groepsdynamica theorie Week 1 – hoofdstuk 3 Individualisme: de eigen doelen nastreven. Het is een traditie, ideologie of persoonlijke zienswijze die het primaat van het individu en zijn rechten, onafhankelijkheid en relaties met andere individuen benadrukt Collectivisme: bijdragen aan de collectieve doelen. Is een traditie, ideologie of persoonlijke zienswijze die het primaat van de groep of gemeenschap benadrukt in plaats van elke individuele persoon “need to belong” hypothese: gaat ervan uit dat het verlangen om bij groepen te horen bij sommige individuen sterker is dan bij anderen.-De “need to belong” schaal meet deze variaties in verlangen Eenzaamheid: een cognitieve en affectieve toestand van ontevredenheid die het gevolg is van weinig of onbevredigende relaties, en omvat verdriet, afwijzing, zelfspot en verveling. Je kan het onderverdelen in emotionele eenzaamheid en sociale eenzaamheid 1.Emotionele eenzaamheid: het gevolg van een tekort van langdurige, betekenisvolle, intieme relaties met een ander 2.Sociale eenzaamheid: komt uit een gevoel afgesneden te zijn van iemands netwerk van vrienden, kennissen en groepsleden Degree of seperation: het aantal stappen of relaties dat nodig is om een persoon in het netwerk te verbinden met een andere specifieke persoon in het netwerk. (jan is bevriend met lisa, lisa is bevriend met gert. De degree of seperation tussen Jan en Gert is 2) Ostracisme: 1 of meer mensen van een groep worden uitgesloten door het contact met die persoon te vermijden, door iemand bijvoorbeeld te negeren of expliciet te verbannen.-Ostracisme werd getest met de “cyberball” techniek: een virtuele schijf wordt doorgegeven van het ene groepslid naar het andere. Na een tijdje spelen alleen de twee virtuele figuren nog samen en wordt de persoon achter de computer overgeslagen.Williams dacht dat een vecht-vlucht reactie voorkomt als iemand wordt buitengesloten -Vecht: mensen vechten zich terug in de groep. Ze gaan directe confrontatie aan met groepsleden
-Vlucht: terugtrekken uit de groep en aansluiting zoeken bij een andere groep.
Hij had een model van ostracisme 1.De reflexieve fase: stroom van negatieve gevoelens die allemaal dienen aan te geven dat er iets mis is 2.De deliberatieve, reflectieve fase: de ervaring van afwijzing opnieuw bekijken, naar een verklaring zoeken, en afhankelijk van deze analyse een specifieke gedragsstrategie aannemen om de negatieve effecten van uitsluiting te minimaliseren 3.De berustende fase: als het niet lukt aanvaard te worden, leidt dit tot de fase van berusting: vervreemding, hulpeloosheid, verlies van eigenwaarde en depressie 1 / 4
Een andere benadering is de “tend-and-befriend” reactie: het houdt in dat op stressvolle gebeurtenissen wordt gereageerd met meer verzorgend, beschermend en ondersteunend gedrag en het aangaan en behouden van relaties met anderen.Kudde instinct: wij hebben een aangeboren behoefte om deel uit te maken van een groep Sociometer-theorie (Leary): een conceptuele analyse van zelfevaluatieprocessen die stelt dat eigenwaarde functioneert om psychologisch de mate van in- en uitsluiting in sociale groepen te controleren.-De eigenwaarde stijgt wanneer men in een groep wordt opgenomen en daalt bij uitsluiting Dorsale anterieure cingulate cortex (dACC) en de anteriere insula zijn geassocieerd met de ervaring van fysieke pijnsensaties en andere negatieve sociale ervaringen.
Cyber-ostracisme: communicatie met een individu wordt uitgeschakeld.
Er zijn verschillende soorten relaties:
1.Ruilrelatie: legt de nadruk op het uitwisselen van bevredigende ervaringen en
beloningen tussen leden. Ze worden vaak geleid door de norm van wederkerigheid, een sociale norm die maakt dat individuen iets van dezelfde waarde die zij van anderen hebben ontvangen, willen teruggeven.
2.Gemeenschappelijke relatie: legt de nadruk op het voldoen aan de behoeften en
belangen van anderen in plaats van het maximaliseren van het eigen persoonlijke resultaat.Groepscultuur: de verschillende manieren waarop de leden van een groep hun ervaringen weergeven, met inbegrip van algemeen aanvaarde kennis, overtuigingen etc.Verschillende normen
1.Billijkheidsnorm: een sociale norm die aanmoedigt om beloningen en middelen
onder de leden te verdelen in verhouding tot hun inbreng. Het is een kenmerk van individualisme
2.Gelijkheidsnorm: een sociale norm die aanmoedigt om beloningen en middelen
gelijk te verdelen onder de leden. Het is een kenmerk van collectivisme.Verschillende identiteiten 1.Persoonlijke identiteit: omvat alle unieke kwaliteiten, eigenschappen, overtuigingen etc die en ene persoon van de andere onderscheidt.
2.Sociale identiteit: alle kwaliteit die voortkomen uit banden met en overeenkomsten met andere mensen en groepen Optimal distinctiveness theorie: stelt dat individuen striven naar een evenwicht tussen drie
basisbehoeften:
1.De behoefte om geassimileerd te worden door de groep 2.De behoefte om verbonden te zijn met vrienden en geliefden 3.De behoefte aan autonomie en differentiatie 2 / 4
De sociale identiteitstheorie: werd ontwikkeld om de oorzaken te begrijpen van conflicten tussen mensen die tot verschillende groepen behoorden. Ze creëerde een minimale
intergroepssituatie: ingroups en outgroups werden geïdentificeerd.
-Categorisatie -Identificatie
Sociale categorisatie: de indeling van mensen in categorieën
Stereotypen: sociaal gedeelde cognitieve generalisaties over de kenmerken van een “typisch” lid van een bepaalde groep Sociale identificatie: men aanvaardt de groep als een verlengstuk van het zelf. Als dit toeneemt, gaan individuen denken dat hun lidmaatschap van de groep van persoonlijk belang is.Hogg stelt twee basismotieven voor de manier waarop sociale categorisatie en identificatieprocessen samen iemands zelfbeeld vormen 1.Mensen zijn gemotiveerd om goed over zichzelf te denken 2.Individuen worden gemotiveerd om tot zelfbegrip te komen Het collectieve zelfbeeld: de algemene beoordeling van iemands zelfbeeld op basis van zijn relaties met anderen en zijn lidmaatschap van sociale groepen Fans: mensen die extreem en onredelijk toegewijd zijn aan een idee, filosofie of praktijk.
1.Basking in reflected glory: men zoekt aansluiting bij prestigieuze of succesvolle groepen en personen 2.Cutting of reflexted failure: men neemt afstand van een groep die slecht presteert.Ingroup-outgroup bias: de neiging om de ingroup positiever te bekijken dan andere groepen.Sociale creativiteit: men vergelijkt de eigen groep alleen met andere groepen op gebieden waar de eigen groep succesvoller op lijkt en vermijdt vergelijkingen op gebieden waar andere groepen beter presteren.-Stereotypeverificatie beschermt de eigenwaarde omdat het mensen in staat stelt hun falen te wijten aan het stereotype -Individuele mobiliteit: het vermogen een groep te verlaten wanneer deze een negatief effect heeft op het zelfbeeld. Dit stelt iemand in staat om zijn band met een groep te verminderen om de bedreiging voor het individuele zelfbeeld te minimaliseren.Week 1 - hoofdstuk 4 Persoonlijkheid: de configuratie van onderscheidende maar duurzame dispositionele kenmerken (eigenschappen, temperament etc).Vijf-factoren-model onderscheidt vijf primaire persoonlijkheidsdimensies 1.Extraversie 2.Mildheid 3.Consciëntieusheid 3 / 4
4.Neuroticisme 5.Openheid Persoonlijkheid-groep fit: hoe beter de persoonlijkheidskenmerken van een individu passen bij het doel en de organisatie van de groep, hoe groter de kans dat het individu zich bij de groep zal willen aansluiten.Verlegenheid: de neiging om terughouden of verlegen te zijn tijdens sociale interacties. De hersenen van verlegen mensen vertonen een verhoogde bilaterale activiteit in de amygdala.Sociale angst: een gevoel van angst en verlegenheid dat wordt ervaren bij het anticiperen op of omgaan met andere mensen. Mensen met sociale angst hebben pessimistische verwachtingen over sociale interacties Experience sampling: is een onderzoeksmethode waarbij deelnemers wordt gevraagd hun gedachten, emoties en gedragingen te volgen wanneer zij die ervaren in plaats van later.
Sociale angststoornis: wanneer sociale angst chronisch wordt
De hechtingstheorie van Bowlby: suggereert dat kinderen van jongs af aan verschillen in de manier waarop zij met anderen omgaan. Een hechtingsstijl is iemands karakteristieke benadering van relaties met anderen die blijkt uit twee onderliggende dimensies: 1.Angst voor relaties 2.Vermijding van nabijheid en afhankelijkheid van anderen Mensen kunnen volgens Eliot Smith ook hechtingsstijlen hebben op groepsniveau.Sociale motivatie: het zoeken naar interpersoonlijke relaties. Het omvat die soorten behoeften
die mensen kunnen sturen:
1.De behoefte aan verbondenheid – zich bij anderen aansluiten 2.De behoefte aan intimiteit – warme, positieve relaties met anderen 3.De behoefte van macht – controle krijgen over andere mensen en de omgeving Fundamental interpersonal relations orientation (FIRO): een theorie over groepsvorming en ontwikkeling die de nadruk legt op de verenigbaarheid van drie fundamentele sociale motieven
1.Inclusie: behoefte aan aansluiting
2.Controle: behoefte aan vermogen
3.Genegenheid: behoefte aan intimiteit
Relationaliteit: de mate waarin iemands waarden, houdingen en opvattingen het aangaan en onderhouden van relaties met anderen benadrukken en vergemakkelijken.De BAG-schaal (belief about groups): meet de voorkeur van mensen voor deelname aan groepen, hun verwachtingen over hoe hard mensen werken en voorspellingen van de positieve en negatieve effecten die groepen zullen hebben op de prestaties.Ervaringen in groepen: eerdere ervaringen in groepen beïnvloeden iemands belangstelling om zich in de toekomst bij groepen aan te sluiten
- / 4