Inhoudsopgave Hoofdstuk 2............................................................................................................3 2.9 omzetbelasting..............................................................................................3 Hoofdstuk 4............................................................................................................3 4.1.......................................................................................................................3 4.2 balans en resultatenrekening........................................................................4 4.3 winst versus kasmutatie................................................................................5 4.4 afschrijvingsmethoden..................................................................................5 Hoofdstuk 6............................................................................................................5 6.8 leasing...........................................................................................................5 Hoofdstuk 7............................................................................................................6 7.1 cashflowcyclus..............................................................................................6 7.5 liquiditeitsbeheer..........................................................................................6 Hoofdstuk 9............................................................................................................7 9.6 voorzieningen................................................................................................7 Hoofdstuk 10..........................................................................................................7 10.1 ratioanalyse.................................................................................................7 10.2 rentabiliteitskengetallen..............................................................................8 10.5 solvabiliteitskengetallen..............................................................................8 10.6 liquiditeitskengetallen.................................................................................8 Hoofdstuk 12..........................................................................................................8 12.1kosten in relatie tot de productieomvang.....................................................8 12.2 variabele kosten..........................................................................................9 12.3 vaste kosten................................................................................................9 12.4 schatting van kostenfuncties.......................................................................9 12.5 break- event punt en veiligheidsmarge.......................................................9 12.6 veronderstellingen bij de break-even analyse.............................................9 hoofdstuk 13........................................................................................................10 13.1 totale kosten en kosten per eenheid.........................................................10 13.2 absorption costing.....................................................................................10 13.6 economische levensduur en vervanging van duurzame productiemiddelen ..........................................................................................................................11 Hoofdstuk 14........................................................................................................12 14.1kostentoerekening......................................................................................12 14.2 deelcalculatiemethode..............................................................................12 14.4 meervoudige opslagmethode ....................................................................12
1 1 / 4
14.5 kostenplaatsenmethode............................................................................12 Hoofdstuk 18........................................................................................................13 18.1 activa, eigen vermogen en verplichtingen................................................13 18.2 immateriële vaste activa...........................................................................14 18.3 Materiële vaste activa...............................................................................14 18.4 Voorraden..................................................................................................15 18.6 effecten.....................................................................................................16 18.7 Eigen vermogen........................................................................................16 Hoofdstuk 19........................................................................................................18 19.1 categorische en functionele resultatenrekening........................................18 19.2 toegevoegde waarde.................................................................................19
2 2 / 4
Basisboek bedrijfseconomie Hoofdstuk 2 2.9 omzetbelasting Omzetbelasting is hetzelfde als belasting toegevoegde waarde (btw).Omzetbelasting is belasting die consumptieve uitgaven treft. Ook wel dat de eindafnemer van een product of dienst de belasting voor zijn rekening moet nemen. Elke keer als een onderneming een verkoop verricht is zij omzetbelasting verschuldigd. Elk land hanteert een eigen tarief. Door de EU opgestelde
basisregels zijn:
-Voor levering van goederen en diensten geld een standaardtarief van ten minste 15% -Voor een beperkt aantal gespecificeerde goederen en diensten mag een lidstaat een of twee gereduceerde tarieven van tenminste 5% hanteren.-De richtlijn staat ook vrijstelling toe, met name voor financiële diensten en verzekeringen, medische zorg of maatschappelijke dienstverlening.Het standaardtarief van de omzetbelasting is 21% in Nederland en een gereduceerd tarief van 9% op voedingsmiddelen en sommige diensten. Het percentage wordt toegepast op de verkoopprijs van het product of de dienst. Een ondernemer mag de btw terugvragen bij de belastingdienst. Alleen als hij niet de eindconsument is.Omzetbelasting is geen kostenpost. Een keer per drie maand wordt de btw met de belasting afgerekend. Er zijn ook prestaties die zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Bv banken, verzekeringen, medische diensten, onderwijs en
leveringen van onroerend goed. Een vrijstelling heeft twee gevolgen:
-De ondernemer is over de betreffende levering of dienst geen omzetbelasting verschuldigd.-De ondernemer kan de aan hem door leveranciers doorberekende omzetbelasting niet terugvorderen.Een vrijgestelde onderneming is in feite hetzelfde als een particulier.Over goederen die vanuit Nederland verkocht worden naar het buitenland is in Nederland geen omzetbelasting verschuldigd, maar wel in het bestemmingsland.(voor zover die in dat land geheven wordt.) De goederen gaan ‘belastingschoon’ de grens over; dit wordt bereikt door nultarief toe te passen.Een Nederlandse onderneming die goederen importeert uit het buitenland is bij de invoer Nederlandse omzetbelasting verschuldigd.Hoofdstuk 4 4.1 Productiemiddelen worden activa genoemd.Vaste activa= iets wat langer mee gaat als 1 jaar (gebouwen, machines, auto’s)
3 3 / 4
Vlottende activa= iets wat korter als een jaar meegaat. (debiteuren, voorraad) (liquide middelen = kas en bank) Eigen vermogen = Geld dat de eigenaren erin stoppen. Spaargeld van de eigenaar of stortingen van de aandeelhouders. Dat geld is voor onbepaalde tijd.Er zijn vooraf geen afspraken gemaakt over de terugbetaling. De beloning is de winst. Ze kunnen de winst uitkeren of als aanvulling op het eigen vermogen te gebruiken. Eigen risico is risicodragend vermogen.Vreemd vermogen = ter beschikking gesteld door de schuldeisers. Het is tijdelijk vermogen, want er worden van tevoren afspraken gemaakt over de terugbetaling. Vreemd vermogen is risicomijdend vermogen. Risicoloos is het weer niet.
4.2 balans en resultatenrekening Balans= Een momentopname van bezittingen, schulden en eigen vermogen.
Twee vormen van een balans:
-Scontrovorm of T-vorm.Linker kant debit recht kant credit kant.-Staffelvorm of verticale vorm De activa en het vermogen worden onder elkaar geplaatst.Een balans moet altijd in evenwicht zijn. Je kan de winst bepalen door te kijken naar de toe of afname van het eigen vermogen in een periode. Dat kan door twee balansen te maken. Één aan het begin en één aan het einde van de periode.Resultatenrekening/ winst of verlies/ exploitatie rekening Omzet/inkomsten/opbrengsten – kosten = winst of verlies Eigen vermogen veranderd door uitkomst resultatenrekening Kosten= afschrijvingskosten, rentekosten (aflossing is geen kosten) Ontvangsten zijn alle bedragen die een onderneming gedurende een bepaalde periode werkelijk ontvangt. (wat je krijgt) Opbrengsten zijn alle bedragen waar de onderneming gedurende een bepaalde periode recht op krijgt voor uitoefening van het bedrijf. (wat je er aan overhoud) Kosten is een winstvermindering in een bepaalde periode (afschrijvingskosten, rentekosten Uitgaven bv aflossing Aflossing op vreemd vermogen wordt niet in de resultatenrekening opgenomen, omdat ze niet leiden tot een verandering in het eigen vermogen.
- / 4