Gelaatsspieren A= aanhechting (GEEL) O= oorsprong (GROEN) W= werking A -> O Wangkauwspier (plat)
A: buitenzijde onderkaak, bij kaakhoek
O: jukboog
W: heft onderkaak/ sluit kaak (bedekt origio trompetspie)
-Zit bij je wangen Slaapkauwspier (waaiervormig)
A: Gaat onder jukbeen door het voorste uitsteeksel van de
opstijgende tak van de onderkaak
O: waaiervormige oorsprong aan het slaapbeen
W: heft onderkaak en trekt hem iets naar achter
Tweebuikige kaakspier (meerbuikig)
A: tongbeen op de plaats waar pezen de twee spierbuiken met
tongbeen verbinden
O: kingedeelte van de onderkaak
-1 buik -geïnnerveerd door 5 e hersenzenuw + tepelvormig uitsteeksel van het slaapbeen -Andere buik geïnnerveerd door 7 e hersenzenuw
W: opent de mond, antagonist slaapkauwspier en wangkauwspier
(die sluiten de mond) Borstbeen-sleutelbeen-tepelspier (meerhoofdig, eenpezig)
A: tepelvormig uitsteeksel slaapbeen
O: borstbeen en sleutelbeen
W: dubbelzijdige werking: hoofd naar voren gebogen, enkelzijdige
werking: hoofd opzij gedraaid 1 / 2
Mimische spieren B= bijzonderheid Voorhoofdspier (plat)
A: huid bij de wenkbrauwen en neuswortel
O: schedelpeesblad
W: trekt de wenkbrauw omhoog
B= veroorzaakt horizontale voorhoofdsrimpel Achterhoofdspier (plat)
A: schedelpeesblad
O: achterhoofdsbeen
W: trekt het schedelpeesblad naar achteren en strijkt de rimpels
glad
B: antagonist voorhoofdsspier
Wenkbrauwrimpelaar (eenhoofdig en eenpezig)
A: huid midden boven de wenkbrauwen
O: neusdeel van het voorhoofdsbeen
W: trekt de wenkbrauwen naar binnen en omlaag
B: veroorzaakt verticale voorhoofdsrimpels (Denkrimpel)
Slanke neusspier (eenhoofdig en eenpezig)
A: huid tussen en boven de wenkbrauwen (Glabella huid)
O: neusbeentje
W: trekt de huid boven de neuswortel omlaag
B: veroorzaakt diepe plooi, dwars over de neuswortel (mensen die
allergisch zijn hebben vaak snel die plooi- constant neus ophalen)
- / 2