Aardrijkskunde hoofdstuk 2 – Endogene en exogene processen Paragraaf 2 – De opbouw van de aarde Aarde is 4,5 miljard jaar geleden ontstaan, was eerst vloeibaar → koelde af door afstand tot de zon → ontstond een harde korst.Bij aardbevingen ontstaan trillingen die vervolgens dwars door de aarde gaan. Overal ter wereld kunnen ze worden opgevangen en geregistreerd. Seismologen (aardbevingsdeskundigen) kunnen door deze trillingen te bestuderen afleiden hoe de aarde van binnen is opgebouwd. In de aarde zit vast gesteente in de kern, daaromheen traag stromend gesteente in de aardmantel en aan de buitenkant een harde korst. De platen waaruit de aardkorst is opgebouwd, drijven op de aardmantel. Hoe dieper in de aarde, hoe hoger de temperatuur en druk. In de kern loopt de temperatuur op tot ruim 5000 graden Celsius. De hoge druk in de aardkorst komt door het gewicht van het gesteente dat erboven ligt.
De opbouw van de aarde:
1.Kern – bestaat grotendeels uit nikkelijzer, maar ook uit radioactieve elementen (produceren warmte). In de kern zit een vaste binnenkern (verwarmt buitenkern) en daar om heen zit een vloeibare buitenkern (verwarmt mantel). Binnenste deel van de aarde.
2.Mantel – bestaat uit zwaardere gesteenten dan de korst. De aardkern verwarmt onderin het gesteente van de aardmantel. Daardoor zet gesteente uit en wordt lichter.Dit zal opstijgen richting de aardkorst. Deze beweging heet convectiestroming, omdat warmte wordt verplaatst.
3.Korst – bestaat uit licht gesteente en drijft op de mantel. Ander woord voor aardkorst is lithosfeer. Je hebt de oceanische korst en is dunner (8km), maar zwaarder (basalt, gesteente dat ontstaat bij vulkaanuitbarstingen) en de continentale korst is dikker (40-80km), maar lichter (graniet, gesteente dat ondergronds stolt). Buitenste schil van de aarde.De oceanische korst (grootste deel van aardkorst) en continentale korst ‘drijven’ beide op het mantelgesteente. Er worden satellieten die in een vaste baan rond de aarde cirkelen gebruikt om metingen door te zenden → ontdekking systeem van midoceanische ruggen (onderwater gebergten) en troggen (sleuven, zeer diep deel in de oceaan, die ontstaat als de oceaanbodem wegduikt). 1 / 2
Paragraaf 3 – Platentektoniek en aardbevingen De aardkorst is verdeeld in platen. De meeste aardkorstplaten zijn zowel continent als oceaanbodem. Doordat de platen als een puzzel in elkaar passen, zal een beweging op de ene plaats doorwerken naar andere plaatsen.
Bewegingen tussen aardplaten:
1.Convergente beweging – twee platen botsen tegen elkaar.Hierbij zakt de zwaardere oceaankorst schuin weg onder het continent in een diepe trog en komt daardoor steeds dieper in de aardkorst → subductie. Oceanische plaat tegen continentale plaat → vulkanisme (bovenste afbeelding). Continentale plaat tegen continentale plaat → gebergte (onderste afbeelding).
2.Divergente beweging – twee platen bewegen uit elkaar. Op plekken waar vloeibaar mantelgesteente tegen de aardkorst drukt, kan de aardkorst breken. Hierdoor kan het lava naar buiten stromen wat uiteindelijk stolt tot basalt. Het vormt een nieuwe oceaanbodem en er ontstaat een midoceanische rug.
3.Transforme beweging – twee aardkorstplaten bewegen langs elkaar, in tegengestelde richting.Aardplaten bewegen (platentektoniek) op de mantel door convectiestroming. Heet magma komt naar boven tegen de aardkorst aan. Het magma moet zijdelings wegstromen en neemt dan stukken aardkorst mee. Er ontstaat een divergente breuk. Dit blijft zich herhalen als er ruimte vrijkomt door het uit elkaar bewegen van aardkorstplaten. Zo ontstaat er steeds een nieuwe oceaankorst in de midoceanische ruggen. Als er een nieuwe aardkorst bij komt, verdwijnt hij ergens anders. In subductiezones duikt de oceaanbodem in de mantel → ‘gerecycled’.Aardbevingen ontstaan bij convergente en transforme plaatbewegingen. Door de ruwheid van gesteente blijft het klem zitten en dan plotseling schuiven de aardlagen binnen een paar seconden een heel eind op. De exacte plek van de aardbeving in de aardkorst is de haard. De plaats aan het aardoppervlak die boven de haard (hypocentrum) ligt, heet het epicentrum. Na een aardbeving volgen aardverschuivingen. Bij een aardbeving op de oceaanbodem kunnen tsunami’s ontstaan.
- / 2