Methodologie Kwantitatief onderzoek
ALGEMEEN OVERZICHT DESIGNS
Switch/cross over designs: op een gegeven moment de interventiegroep de controle geven en de controlegroep de interventie te geven. 1 / 4
Bijeenkomst 1: Architectuur van Klinisch Wetenschappelijk Onderzoek
- De student kan een aantal (tenminste drie) bronnen van kennis benoemen.
- De student kan de kwaliteitseisen benoemen en toelichten die worden gesteld aan wetenschappelijke kennis.
Ervaring, wetenschappelijke kennis. Kennis op basis van ervaring, intuïtie, traditie.
Kwaliteitseisen:
Intersubjectiviteit: dat de kennis die de ene onderzoeker vindt gelijk is aan de andere, er kan dan gezegd worden dat de resultaten van het onderzoek onafhankelijk zijn van de onderzoeker en er sprake is van intersubjectieve geldigheid.Controleerbaarheid: dat de wetenschappelijke kennis die door een onderzoeker is verzameld door een andere onderzoeker op juistheid gecontroleerd kan worden. De onderzoeker moet zich verantwoorden voor de wijze waarop hij aan de onderzoeksgegevens is gekomen. De uitspraken moeten toetsbaar zijn.Verantwoording: het verantwoorden van de resultaten van hun onderzoek en de wijze waarop zij tot deze resultaten zijn gekomen. Zij komen aan deze plicht tot verantwoording tegemoet via een (openbaar) verslag van het onderzoek. Daarin proberen onderzoekers zo goed mogelijk te verantwoorden – van de vraagstelling tot en met de resultaten – hoe het onderzoek is opgezet en uitgevoerd, welke keuzen ze hebben gemaakt en wat de sterke en zwakke kanten van het onderzoek zijn geweest.Precisie: het duidelijk moet zijn waarop de resultaten van wetenschappelijk onderzoek betrekking hebben.Een wetenschappelijke uitspraak moet nauwkeurig geformuleerd worden, zodat er geen misverstand kan bestaan over de inhoud en de reikwijdte van de begrippen van de betreffende uitspraak.
- De student kan aangeven hoe kennis zich ontwikkelt.
- De student kan wetenschap, wetenschappelijk onderzoek en klinisch epidemiologisch onderzoek definiëren.
- De student kan de fasen van het onderzoeksproces benoemen en toelichten.
De methodologie is de wetenschap die zich bezighoudt met de ontwikkeling en vervolmaking van methoden en technieken van wetenschappelijk onderzoek, zodat kennis van een hoog kwaliteitsgehalte geproduceerd kan worden.
Onderzoeksproces: de onderzoeker zoekt volgens een bepaalde methodische systematiek naar antwoorden op van tevoren gestelde vragen.Het onderzoeksproces is een cyclisch proces.
Fasen:
Meestal wordt het onderzoeksproces niet in vier, maar in vijf fasen opgedeeld
- probleemformulering en vraagstelling;
- ontwerp en planning;
- verzameling van onderzoeksgegevens;
- verwerking en analyse van onderzoeksgegevens;
- rapportage.
Probleemstelling en vraagstelling De probleemstelling van een onderzoek verwijst meestal naar een afgebakende onderzoeksvraag afgeleid van een theoretisch of praktisch probleem. De afbakening van een onderzoeksvraag wordt voor een belangrijk deel door het doel van het onderzoek ingegeven. Een goede vraagstelling moet zo precies mogelijk geformuleerd zijn, zodat er geen misverstanden kunnen ontstaan over wat er bedoeld wordt. De afbakening van een vraagtelling heeft veelal te maken met de aan- of afwezigheid van voldoende faciliteiten (geld, tijd).Wetenschappelijke uitspraken, zoals een vraagstelling of een hypothese, bevatten over het algemeen drie elementen. 2 / 4
- Analyse-eenheid of onderzoekspopulatie: hetgeen waar het onderzoek betrekking op heeft
- Variabelen. Elke uitspraak bevat één of meer variabelen. Een variabele is een eigenschap van een analyse-
- Waarden/scores. Elke variabele kent een waarde of score
eenheid, zoals leeftijd, geslacht, intelligentie, inkomen of eenzaamheid. Bij twee of meer variabelen wordt onderscheid gemaakt tussen onafhankelijke en afhankelijke variabelen. De uitspraak luidt bijvoorbeeld: ‘Rokers hebben meer kans op longkanker dan niet-rokers.’ In deze uitspraak is roken de onafhankelijke variabele (oorzaak) en longkanker de afhankelijke variabele (gevolg).
Ontwerp en planning
Een onderzoeksdesign (ontwerp voor het onderzoek), met daarin:
• wat voor onderzoek hij gaat uitvoeren (soort onderzoek)
- Fundamenteel versus praktijkgericht onderzoek: fundamenteel onderzoek is vooral gericht op het ontwikkelen of
- Kwantitatief versus kwalitatief onderzoek: met kwantitatief onderzoek wordt vooral het kwantificeren (= in getallen
- Experimenteel versus niet-experimenteel onderzoek: het meest krachtige onderzoeksdesign om een oorzaak-
toetsen van theorieën. Een nadeel van fundamenteel onderzoek is dat het in de meeste gevallen nog te weinig concreet is om praktisch te worden toegepast.Bij praktijkgericht onderzoek staat vooral het vinden van een oplossing van praktijkproblemen centraal, het menselijk handelen verbeteren/veranderen. Een nadeel van praktijkgericht onderzoek is dat het situatiespecifiek is.De resultaten zijn meestal alleen geldig voor een specifieke situatie of populatie van een specifieke afdeling, instelling of organisatie.
uitdrukken) van variabelen bedoeld en wordt vervolgens ingedeeld in een tweetal hoofdvormen: het experimentele versus het niet-experimentele onderzoek.Kwalitatief onderzoek kun je omschrijven als onderzoek waarin wordt getracht te komen tot een gesystematiseerd inzicht in de wereld van betekenissen die de onderzochten toekennen aan de door hen ervaren werkelijkheid en kent een drietal hoofdbenaderingen: de fenomenologie, de etnografie en de ‘grounded theory’.Fenomenologie: beziet de menselijke werkelijkheid vanuit het perspectief van het individu en heeft als doel deze ervaringen/belevingen te onthullen en beschrijven.Etnografie: richt zich vooral op het ontwikkelen van theorieën over cultuur en produceert beschrijvingen van manieren van leven in bepaalde culturen of subculturen Grounded Theory: de ontwikkeling van theorie die gebaseerd is op de persoonlijke ervaringen van de werkelijkheid van individuen.
gevolgrelatie aan te kunnen tonen is zuiver experimenteel onderzoek. Dit doet aan ten minste drie kenmerken
(Randomized Controlled Trial):
- Manipulatie. Bij een experimenteel onderzoek voert de onderzoeker een experiment uit. Dit experiment is een
- Controle. Er is sprake van minstens twee groepen onderzoekseenheden of proefpersonen: een experimentele
- Randomisatie. De proefpersonen die aan het onderzoek meewerken worden op basis van het toeval (in het
doelbewuste handeling (manipulatie), die afwijkt van de huidige handelwijze.
groep en een controlegroep. De experimentele groep krijgt de experimentele behandeling, de controlegroep de bestaande behandeling, geen behandeling of een placebo.
Engels: ‘at random’) aan de experimentele of de controlegroep toegewezen. Dit wordt randomisatie genoemd. Elke deelnemer aan het onderzoek heeft dus een even grote kans in de experimentele of de controlegroep terecht te komen.Een bijzondere vorm van randomisatie is matchen (= gelijk maken). Om ervoor te zorgen dat de experimentele en de controlegroep zo goed mogelijk vergelijkbaar zijn, worden proefpersonen geselecteerd die met betrekking tot een beperkt aantal variabelen (bijvoorbeeld geslacht, leeftijd en beroep) identiek zijn. Zo probeert de onderzoeker identieke paren te vormen, bijvoorbeeld twee patiënten met reuma die vrouw zijn in de leeftijdscategorie van 30–35 jaar. Het toeval bepaalt vervolgens wie in de experimentele groep en wie in de controlegroep terechtkomt.In een experimenteel onderzoek wordt zo mogelijk blind opgezet en bij voorkeur dubbelblind. Een dubbelblind onderzoek houdt in dat zowel de onderzoeker als de onderzochte niet weet wie de experimentele behandeling krijgt.Quasi-experimenteel onderzoek: er wordt wel gemanipuleerd – er is dus wel sprake van een interventie – maar 3 / 4
meestal niet gerandomiseerd of er ontbreekt een controlegroep. Voor een dergelijk design wordt gekozen als randomisatie niet mogelijk is.Het niet-experimentele onderzoek (ook wel observationeel onderzoek genoemd) wordt primair gekenmerkt door het ontbreken van het principe van manipulatie: er vindt geen interventie plaats. Het gaat met name om het beschrijven van variabelen. Staat in het onderzoek alleen het beschrijven van variabelen centraal, dan noemen we dat beschrijvend of descriptief onderzoek.Correlationeel onderzoek: wanneer het zich richt op het beschrijven van verbanden tussen variabelen. Er wordt dan naar samenhang (correlaties of verbanden) tussen twee of meer variabelen gezocht. De onderzoeker kan de onderlinge samenhang van variabelen of gebeurtenissen die op dit moment spelen (dwarsdoorsnedeonderzoek), die zich in het verleden hebben afgespeeld (retrospectief) of die nog moeten plaatsvinden (prospectief) onderzoeken.Deze laatste twee vormen noemen we longitudinaal onderzoek.• bij wie of wat hij de onderzoeksgegevens gaat verzamelen (onderzoekspopulatie); De kunst is dan om een steekproef te trekken die een juiste afspiegeling is van de totale populatie. Een dergelijke juiste afspiegeling van de totale groep noemen we een representatieve steekproef. Wanneer de onderzoeker een representatieve steekproef heeft getrokken, mag hij de onderzoeksresultaten vervolgens vertalen, generaliseren, naar de hele groep waaruit de steekproef is getrokken.In de literatuur worden verschillende soorten steekproeven beschreven. Steekproeven kunnen aselect of select getrokken worden. Bij een volledig aselecte steekproef is de steekproef op basis van het toeval samengesteld, dat wil zeggen dat iedereen uit de onderzoekspopulatie een even grote kans heeft om in de steekproef terecht te komen. Op deze wijze wordt een representatieve steekproef getrokken.Een veilige vuistregel voor de omvang van de steekproef in zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek luidt: ‘Het
aantal eenheden in de steekproef moet groter zijn:
- naarmate de eenheden die men wil onderzoeken meer van elkaar verschillen;
- naarmate men preciezer en nauwkeuriger wil waarnemen en indelen;
- naarmate de analyse ingewikkelder is, bijvoorbeeld wanneer men meer eigenschappen (variabelen) van de
- naarmate de beoogde reikwijdte van de resultaten groter moet zijn (mate van generalisatie).
- Vragenlijsten. Dit betreft zowel mondelinge (het interview) als schriftelijke vragenlijsten. Grootschalige
- Schalen. Dit zijn gestandaardiseerde lijsten met vragen of stellingen over één enkele, niet gemakkelijk in kaart te
- Definiëren. Het te operationaliseren begrip moet duidelijk omschreven worden, wat valt eronder?
- Indiceren. Bij complexe, theoretische begrippen als intelligentie gaat de onderzoeker op zoek naar indicatoren:
- Construeren. De volgende stap in het operationaliseringsproces is het omzetten van de indicatoren in concrete
- Valideren. De betrouwbaarheid en de validiteit van de schaal vaststellen. Betrouwbaarheid verwijst in dit geval
- / 4
onderzoekseenheden tegelijk wil onderzoeken;
Bij een selecte steekproef is er altijd sprake van selectie, met andere woorden: de steekproef wordt niet op basis van toeval samengesteld. Dit betekent dat sommige mensen een grotere kans hebben in de steekproef terecht te komen dan andere mensen, waarmee de representativiteit van de steekproef in het geding komt. Veel onderzoek gebeurt met gebruikmaking van selecte steekproeven vanwege praktische redenen.De representativiteit van een steekproef dient dan ook kritisch beoordeeld te worden. Vaak speelt de non- responsgroep (de groep respondenten die weigert aan het onderzoek mee te doen) een cruciale rol.• met welke dataverzamelingstechniek hij de gegevens gaat verzamelen (meetinstrument); Je kunt in hoofdzaak vier manieren of dataverzamelingstechnieken onderscheiden waarmee onderzoeksgegevens worden verzameld.
postenquêtes worden ook wel survey genoemd. Onder mondelinge vragenlijsten vallen gestructureerde, semigestructureerde en diepte/open interviews.
brengen, specifiek onderwerp, bijvoorbeeld depressie, intelligentie of burn-out. Het operationaliseringsproces (vertalen van het begrip naar concreet waarneembare aspecten van het begrip), dat uiteindelijk moet leiden tot een schaal, bestaat uit de stappen definiëren, indiceren, construeren en valideren.
aspecten van het theoretische begrip die samen het begrip zoals bedoeld weergeven
vragen of stellingen als items van de schaal: de schaalconstructie en antwoordschaal.