Inleiding:
Eindterm 4:
Alles wat mensen ervaren met hun zintuigen en lichaam, valt onder het eerstepersoonsperspectief (1 e pp). Dit is de bestaanservaring van de mens, alle ervaringen komen voort uit het eerstepersoonsperspectief. Vervolgens kan men gaan nadenken over deze ervaringen, en er een analyse van maken. Dit is het derdepersoonsperspectief, je beschrijft de situatie dan van buitenaf, objectief. In de wetenschap wordt voor het beschrijven van de mens vooral gekeken naar het derdepersoonsperspectief, maar bij de fenomenologie gaat het echt over het 1 e pp. Door vanuit het 3 e pp te kijken kan je proberen te definiëren wat een mens tot mens maakt, maar zonder het 1 e pp is dit eigenlijk onmogelijk. Het 1 e pp vult het 3 e pp dus aan.Gevoel maakt bijvoorbeeld een groot deel uit van het menselijke wezen.Kijken vanuit het 1 e pp doen existentialisten ook, zij kijken naar de invloed van de buitenwereld op de bestaanservaring. Er is ook een tweedepersoonsperspectief, dit gaat over hoe de mens zich verhoudt ten opzichte van andere mensen in de wereld. Deze wereld geven we zelf vorm, maar hij heeft ook invloed op hoe we onszelf zien.De vraag naar de mens is eigenlijk de vraag naar het wezen van de mens.Dit kan je opvatten als de essentie, door te kijken naar de aard van de mens en zijn unieke kenmerken. Dit levert een bepaald mensbeeld op.Eerder is het wezen van de mens door Aristoteles een animal rationale en door Descartes een res cogitans genoemd. Er wordt dan gekeken naar het verschil tussen mens en dier. De mens wordt in het christendom als kroon op de schepping gezien. In deze voorbeelden wordt de vraag naar de mens vanuit het 3 e pp beantwoordt, de mens wordt beschreven aan eigenschappen. Dit is ook empirisch. Het wezen kan je ook opvatten als ‘bestaan’. Hoe mensen bestaan kan je niet vanuit het 3 e pp beschrijven, hiervoor heb je het 1 e pp nodig. Het antwoord op hoe mensen bestaan is ook geen mensbeeld, maar een bestaanservaring. Descartes is de eerste filosoof die met zijn meditaties naar binnen kijkt, en zijn innerlijke ervaringen onderzocht. Hij zocht naar iets wat zeker waar was, niet wat door wetenschap was bewezen. Terwijl Descartes dualist was, legt de fenomenologie er nadruk op dat de subjectieve ervaring van de wereld verbonden is aan de manier waarop ons lichaam in de wereld is.
Kwestie 1: Filosofische antwoorden op de vraag, wat is de mens?
Descartes: Descartes is een dualist, hij ziet de ziel apart van het lichaam. De
verbinding zit in de pijnappelklier. De ziel, de res extensa, is wat mensen onderscheid van dieren, en stelt ons in staat om na te denken, te voelen en te redeneren. De ziel is immaterieel, en maakt de mens dus uniek. Ons lichaam is puur mechanisch, en een soort behuizing voor de ziel. Hij ziet het lichaam meer als een functionele, materiële machine, een object dat vanuit het 3 e pp begrepen kan worden. Het lichaam heeft dan ook geen bewustzijn, maar functioneert door biologische processen.
Eindterm 6: Wij zijn een denkend, bewegend lichaam (Sheets-
Johnstone) 1 / 2
Maxine Sheets-Johnstone was een danseres en choreografe. Ze stond erg in contact met haar lichaam, en is hierdoor op latere leeftijd ook fenomenologe geworden. SJ stelt dat je met je lichaam, in het 1 e pp, pre-reflectieve ervaringen opdoet. Je voelt intuïtief aan hoe je moet bewegen, waar dingen zijn in de ruimte en wanneer je moet bukken om je hoofd niet te stoten. Hier hoef je niet over na te denken, het gaat automatisch. Dit is het lichaamsschema , en hoort bij het 1 e pp. Na deze pre-reflectieve gewaarwording, kan je bewust gaan reflecteren. Ze gebruikt het voorbeeld van choreografie. Wanneer je een dans maakt voel je eerst de muziek, en begin je gewoon te bewegen. Daarna ga je pas in de spiegel kijken en reflecteren op hoe het eruit ziet voor het publiek. Andersom kan niet, de dans moet ook goed voelen.Fenomenologie biedt een perspectief voor onze bestaanservaring . Om op de ervaring te reflecteren, moeten we haar eerst beleven. De ervaring kan dan op een fenomenologische manier beschreven worden, zo ontdekken we hoe we onszelf ervaren, en hoe we in de wereld staan. We kunnen namelijk ook reflecteren op hoe we ons bestaan verder willen vormgeven.
Primaire tekst: Fenomenologie gaat over het beschrijven van de mens en
wereld, niet alleen als gegeven structuren maar vooral als mens-temidden- van-de-wereld. Er is geen objectieve relatie tussen mens en wereld, maar de kern van de ervaring zelf wordt onderzocht. Het fundament en de structuren van het bewustzijn worden beschreven, en die van de wereld waarop het bewustzijn gebaseerd is. Fenomenologie is een beschrijving van fenomenen, geen theoretisch systeem. De fenomenen worden niet verklaard, maar beschreven zoals ze ervaren worden. SJ bedacht het bewustzijns-lichaam, om aan te geven dat ze onlosmakelijk verbonden zijn, monistisch. Fenomenologen kijken naar een fenomeen vanuit directie intuïtie, pre-reflectief, voordat ze gaan reflecteren. Vormen van reflectie zijn dan vooroordelen, verwachtingen, interpretaties en overtuigingen, deze geeft je brein aan het fenomeen. Pre- reflectieve kennis van het lichaam is dus gebaseerd op het lichaamsschema, als je een pen pakt weet je lichaam vanzelf hoe dat moet.
Eindterm 7: Wij staan in verhouding tot onszelf (Plessner)
Plessner is het eens met SJ, dat onze lichamelijke verstandhouding met onszelf en de omgeving als uitgangspunt genomen moet worden om het wezen van de mens te beschouwen. Plessner verzet zich tegen het determinisme, en zegt dat het wezen van de mens van nature onbepaald is.We hebben de vrijheid om ons bestaan zelf richting te geven. Deze onbepaalde bestaanservaring noemt hij excentrische positionaliteit.Plessner stelt ook dat we een dubbele bestaanservaring hebben, we zijn en we hebben een lichaam. Andere gewervelden hebben dit ook, het lichaam is door het zenuwstelsel een centrum van gewaarwordingen én een soort instrument. Het dier is vooral geabsorbeerd in het hier en nu, maar de mens kan ook nog nadenken over zijn ervaringen. Het centrische van de dieren wordt dus de excentrische positionaliteit; de mens kan zichzelf ervaren als ‘ik’ die de binnenwereld en relatie met de buitenwereld kan beschouwen.De wet van natuurlijke kunstmatigheid gaat uit van de excentrische positie van de mens. De mens kan zijn eigen leven vormgeven, en moet zichzelf maken vanuit wat ze al is. Dat geeft het menselijk bestaan een kunstmatig
- / 2