Begrippenlijst Middeleeuwen Week 1 – Bisschoppen in het post-Romeinse westen (300-600)
Augustinus van Hippo (354-430): Zijn belangrijkste werken waren de Confessiones
(intellectuele biografie, waarin hij religie met filosofie verbond) en De civitate dei (reactie op de plundering van Rome door de Visigothen, waarin hij de geschiedenis van de kerk en de wereld met elkaar verbond). In De civitate dei verbond hij de geschiedenis van de kerk met die van de wereld.Ambrosius van Milaan (333-397): Hij ging op zoek naar de symbolische betekenis van de Bijbel en schreef een commentaar op het scheppingsverhaal (Exameron). Hij behield nauwe contacten met het hof en bemoeide zich met de politiek. Hij was de eerste die boetedoening van de keizer eiste en kwam daarom in conflict met meerdere keizers. Ambrosius maakte het ambt van bisschop belangrijk en verbond religie en filosofie met elkaar.Hiëronymus (342-420): Deze kerkvader was retorisch goed geschoold en leefde een ascetisch leven, dat hij propageerde. Hij kreeg een belangrijk visioen over Cicero en Christus. Hij leerde zowel Latijn als Hebreeuws en was de auteur van de Vulgaat: de eerste goede Latijnse vertaling van de Bijbel.
Vulgaat: De eerste goede Latijnse vertaling van de Bijbel.
Gregorius de Grote (540-604): Hij werd bisschop van Rome en van hem is veel
correspondentie bewaard gebleven.Barbaar: niet-Griekssprekend persoon, die onbeschaafd is en onderworpen moet worden.Ethnogenese: Germaanse stammen die aan de buitenkant van het Romeinse Rijk woonden, waren geen eenheid. Ze bestonden uit groepen van verschillende oorsprong die zich voor een (militair) doeleinde konden verenigen. Uit deze multi-etnische confederatie kon na verloop van tijd een nieuwe etnische groep ontstaan met een eigen identiteit. Dit proces van verval en ontstaan van nieuwe stammen noemt men ethnogenese.Edict van Milaan (313): Na de slag bij de Milvische Brug formuleerde keizer Constantijn dit edict, waarin hij het christendom als godsdienst toestond. Het startte vrijheid van godsdienst in het Romeinse Rijk. Dit betekende het einde van de christenvervolgingen.Concilie van Nicaea (325): Constantijn riep dit concilie bijeen om consensus te bereiken in de kerk door middel van een vergadering die het hele christendom vertegenwoordigde. Grote dingen waren de regeling van de christologische kwestie over de aard van Jezus en zijn relatie tegenover God.Crisis van de derde eeuw (235-268): Periode van onrust en onderlinge strijd in het Romeinse Rijk, gekenmerkt door burgeroorlogen en het chaotische zes-keizerjaar. Het rijk was te groot geworden om te besturen en de Barbaarse invallen braken de verdediging van het Romeinse leger af. Als oplossing werd het Romeinse Rijk opgedeeld door Constantijn en Diocletianus en kregen de provincies meer autoriteit.Arianisme: Stroming binnen het christendom, die is ontstaan in het begin van de 4 e eeuw, vernoemd naar haar stichter Arius (256-336). Deze stroming wordt vooral aangehangen door barbaren. Hierin wordt het dogma van de drie-eenheid niet geaccepteerd. Zowel Jezus als de Heilige geest worden gezien als schepping ven God, die ondergeschikt zijn. Jezus is alleen ondergeschikt aan god, terwijl de Heilige Geest ondergeschikt is aan zowel Jezus als God. Het Arianisme spreekt over Jezus als godgelijke.
- / 1