Biomechanica antwoorden kennis, reken en toepassingsvragen
1 1 / 4
Inhoud Formules..........................................................................................................................................................................2 H1 Introductie biomechanica..........................................................................................................................................3 H2 Principes van Newton................................................................................................................................................4 H3 Krachten.....................................................................................................................................................................6 H4 Zwaartepunt en stabiliteit........................................................................................................................................11 H5 Snelheid en versnellingen........................................................................................................................................13 H6 Impuls......................................................................................................................................................................19 H7 Cirkelbeweging.........................................................................................................................................................23 H8 Arbeid, energie en vermogen...................................................................................................................................29 H9 Moment en momentstelling....................................................................................................................................38 H10 Rotatie....................................................................................................................................................................42 Formules 2 Krachten F = m ∙ a Fz = m ∙ g g = 10 m/s 2 Snelheid en versnelling s = v ∙ t v = vbegin + a ∙ t s = vbegin ∙ t + 0,5 ∙ a ∙ t 2 Impuls F ∙ t = m ∙ v F ∙ t = m ∙ (veind – vbegin) Cirkelbeweging vlin = ω ∙ r
- cirkel = 360° = 2π rad
Fc = m∙v baan 2 r Fc = m ∙ ω 2 ∙ r Arbeid, energie en vermogen W = F ∙ s Ekin = 0,5 ∙ m ∙ v 2 Epot = m ∙ g ∙ h P = W / t P = F ∙ v Moment en momentstelling M = F ∙ d
M1 + M2 =MR
M1 = M2
F1 ∙ d1 = F2 ∙ d2 Rotatie J = m ∙ r 2
M ∙ t = J ∙ ω 2 / 4
H1 Introductie biomechanica
H1 KENNISVRAGEN
- Beschrijf in eigen woorden wat biomechanica is.
- Beschrijf in eigen woorden wat bewegingsanalyse is.
- Wat is een grootheid?
- Wat is een eenheid?
- Geef twee voorbeelden van grootheden en hun bijbehorende eenheden
- Beschrijf in eigen woorden wat translatie is.
- Beschrijf in eigen woorden wat rotatie is.
Biomechanica is het deel van de natuurkunde dat gaat over het beschrijven van bewegingen en het kijken naar de oorzaken van die bewegingen van het menselijk lichaam
Bewegingsanalyse is het gebruiken van de biomechanica om het menselijk bewegen te analyseren, om bijvoorbeeld een foute analyse te kunnen doen om tot leerhulp te komen over beslissingen te maken voor het arrangement.
Een grootheid is dat wat je kunt meten.
De eenheid is waarin je iets meet.
-De grootheid afstand meet je in de eenheid meters.-De grootheid tijd meet je in de eenheid seconden.
Een translatie is een verplaatsing zonder om een as te draaien.
Een rotatie is een draaiing.
H1 TOEPASSINGSVRAGEN
- Noem minstens 5 voorbeelden uit het bewegingsonderwijs waarbij biomechanica of
- Leg in eigen woorden uit waarom kennis van biomechanica belangrijk is voor een docent
- Geef twee voorbeelden uit het bewegingsonderwijs van zuivere translatie, zuivere rotatie
bewegingsanalyse van belang kan zijn.-Passende leerhulp bedenken voor een leerling ie te ver doordraait bij salto springen -Bepalen waar je het beste kunt hulpverlenen bij twee leerlingen die een acro-oefening doen -Passende leerhulp bedenken voor een leerling die bij softbal overgooien de bal niet ver weggegooid krijgt -Bepalen of je bij bok-ringen-lijn het beste de ringen zo laag mogelijk of zo hoog mogelijk kunt ophangen -Bepalen of de hoogte van je arrangement voor een zweefrol veilig is.
lichamelijke opvoeding.Biomechanica/bewegingsanalyse is van belang voor een LO docent om gericht te helpen bij het verbeteren van de bewegingsuitvoering, bij het maken van keuzes in het arrangement, en bij het voorkomen van blessures.
en de combinatie van translatie en rotatie.
-Zuivere translatie: 100m sprint, rechtstandige sprong
-Zuivere rotatie: pirouette, koppeltjeduikelen om de rekstok
-Combinatie translatie en rotatie: salto springen, een bocht lopen
3 Krachten F = m ∙ a Fz = m ∙ g g = 10 m/s 2 Snelheid en versnelling s = v ∙ t v = vbegin + a ∙ t s = vbegin ∙ t + 0,5 ∙ a ∙ t 2 Impuls F ∙ t = m ∙ v F ∙ t = m ∙ (veind – vbegin) Cirkelbeweging vlin = ω ∙ r
- cirkel = 360° = 2π rad
Fc = m∙v baan 2 r Fc = m ∙ ω 2 ∙ r 3 / 4
H2 Principes van Newton
H2 KENNISVRAGEN
- Wat wordt bedoeld met het begrip traagheid
- Leg in eigen woorden uit wat het traagheidsprincipe betekent
- Leg in eigen woorden uit wat het onafhankelijkheidsprincipe betekent
- Leg in eigen woorden uit wat het actie-reactieprincipe betekent
Traagheid geeft aan hoe moeilijk of hoe makkelijk een stilstaan voorwerp in beweging is te krijgen of een bewegend voorwerp is af te remmen
Het traagheidsprincipe betekent dat voorwerpen die stil staan, stil willen blijven staan en zich verzetten om in beweging te komen. En voorwerpen die bewegen, willen blijven bewegen en verzetten zich tegen het tot stilstand komen.
Het onafhankelijkheidsprincipe betekent dat er een kracht geleverd moet worden om een voorwerp in beweging te krijgen, en dat het voorwerp dan versnelt in de richting waarin die kracht geleverd is.
Het actie-reactieprincipe betekent dat een voorwerp een kracht uitoefent op een ander voorwerp, en dat andere voorwerp oefent een even grote maar tegengestelde kracht uit op het eerste voorwerp
H2 TOEPASSINGSVRAGEN
- Geef twee voorbeelden uit het bewegingsonderwijs van het traagheidsprincipe
- Geef twee voorbeelden uit het bewegingsonderwijs van het onafhankelijkheidsprincipe
- Geef twee voorbeelden uit het bewegingsonderwijs van het actie-rectieprincipe
- Leg uit hoe het actie-reactieprincipe van toepassing is op het bokspringen, op het
- Je bent aan het skateboarden en rijdt tegen een stoepje aan. Het skateboard stopt dan
- / 4
-Een zwaardere bal is moeilijker om in beweging te krijgen of af te remmen dan een lichtere bal.-Je moet kracht leveren om te beginnen met fietsen en je moet kracht leveren om te stoppen
-Als je kracht levert op een shuttle door er met een badmintonracket tegen te slaan, dan zal de shuttle een versnelling krijgen in de richting waarin jij de kracht hebt geleverd.-Stel dat je een volleybal hebt die 2x zo zwaar is als een normale volleybal. Als je deze zware bal met dezelfde kracht zou opslaan als een normale volleybal, dan krijgt de zware bal een 2x zo kleine versnelling als de normale bal.
-Bij het springen zet je af op de grond = actie, de grond levert kracht terug = reactie.Daardoor ga je omhoog.-Bij het voetballen lever je kracht op de bal = actie, de bal levert kracht terug = reactie.Daardoor verplaatst de bal.
moment van handen plaatsen om de rotatie terug te zetten.Je levert met je handen kracht op de bok, dit is een actie. De bok levert kracht op je handen, dit is de reactie. Beide krachten zijn even groot, maar tegengesteld gericht. Door de reactiekracht wordt je bovenlichaam weer omhooggeduwd en dus wordt de rotatie teruggezet.
plotseling en je lichaam heeft de neiging door te schieten naar voren. Van welk principe