Burgerlijk recht Samenvatting Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 1 Algemene inleiding:
Vermogensrecht: iemands op geld waardeerbare rechten en plichten.
Alle zaken en vermogensrechten vallen onder het verzamelbegrip ‘goederen’ (art. 3:1).
Zaken zijn voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (art. 3:2).
‘Object’ wordt gebruikt in twee betekenissen: in de betekenis van concreet en waarneembaar stoffelkijk iets en in de betekenis van voorwerp of onderwerp van gesprek, van gedachten of van rechten.Het woord ‘stoffelijk’ toont aan dat het de eerste betekenis van het ‘object’ bedoeld wordt.Een zaak is altijd een object van stoffelijke aard.‘Voor menselijke beheersing vatbare’ duidt erop dat het bijvoorbeeld geen lucht kan zijn.Vermogensrechten (art. 3:6) zijn rechten die: -Hetzij afzonderlijke overdraagbaar zijn -Hetzij tezamen met een ander recht overdraagbaar zijn -Hetzij ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen -Hetzij verkregen zijn in ruil voor stoffelijk voordeel -Hetzij verkregen zijn in ruil voor in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel.Uit 3:6 blijkt dat het recht niet overdraagbaar hoeft te zijn. Art. 3:226 en 3:83 lid 2 zijn niet overdraagbaar en wel vermogensrechten.
Ook een eigendomsrecht is een vermogensrecht (art. 5:1)
Goodwill is geen vermogensrecht.
In art. 3:3 zijn de onroerende en roerende zaken te vinden.
Registergoederen (art. 3:10) zijn goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is.Om onder de definitie van registergoed te vallen moet een goed aan drie vereisten voldoen, Er moet een register bestaan waarin de vestiging of overdracht van het goed kan worden ingeschreven, dat register moet openbaar zijn en de inschrijving in het register moet voor de vestiging of overdracht constitutief zijn, oftewel die vestiging of overdracht treedt pas in door de inschrijving.Bestanddelen (art. 3:4) zijn geen zaken in de zin van het recht omdat zij geen zelfstandig bestaan leiden. Of een zaak bestanddeel van een andere zaak is, wordt bepaald door de verkeersopvatting
(art. 3:4 lid 1).
Het fysieke criterium uit art. 3:4 biedt iets meer houvast.
Het verschijnsel dat een voorwerp zijn zakenrechtelijke zelfstandigheid verliest doordat het bestanddeel wordt van een andere zaak, heet natrekking. Wordt van meerdere voorwerpen een voorwerp met een geheel nieuwe identiteit gevormd, dan spreekt men van zaaksvorming. Dit wordt nader geregeld in art. 5:14 (roerend) en 5:20 (onroerend).Bij roerende zaken is juridische scheiding van eigendom niet mogelijk maar bij onroerende zaken wel.
- / 1