- / 4
Compacte samenvatting met alleen de kernzaken, dingen die je op tentamen kunt verwachten.De rest is vooral herhaling (vind ik) of onnodig dubbel uitgelegd. Heb redelijk wat plaatjes toegevoegd uit boek, zo leer ikzelf sneller 2 / 4
- Markten en ondernemers
Groeivermogen economie Marktwerking (vraag/aanbod) >kwaliteit ondernemerschap, marktvrijheid & aanpassingsvermogen arbeidsmarkt zorgt voor dynamiek in de economie > welvaartsgroei Groeivermogen economie= rechte stijgende/ dalende lijn tussen de hoogconjunctuur en laagconjunctuur 1.1Marktwerking en marktefficiëntie Ondernemen= investeren in onzekere omstandigheden en accepteren van risico’s
Succes investering afhankelijk van:
-Persoonlijkheid -Keuzes die je maakt (zekerheid/ vernieuwing)
Vernieuwing zorgt voor:
-Extra welvaart -Meer keuzemogelijkheden -Kansen voor nieuwe bedrijven -Is een voorwaarde voor bestaande bedrijven om bestaansrecht te behouden Marktwerking= confrontatie tussen vraag en aanbod in een concurrerende omgeving = onmisbaar omdat het ondernemers scherp houdt op het gebied van efficiëntie
3 soorten efficiëntie:
1.Statische efficiëntie oDoelmatigheid: produceren met laagst mogelijke kosten (arbeid, kapitaal, natuur) 2.Allocatieve efficiëntie
oDoelgerichtheid: produceren wat de markt vraagt
3.Dynamische efficiëntie
oInnovatie: toepassing en ontwikkeling van nieuwe producten en technieken
1.2Productie, toegevoegde waarde en inkomensvorming Productie=toegevoegde waarde Toegevoegde waarde=verkopen−inkopen (intermediaire leveringen) Toegevoegde waarde= Wanneer de markt meer betaald voor een product dan dat het heeft gekost (aan grondstoffen) is er sprake van toegevoegde waarde & is er geproduceerd Intermediaire producten= (productie van andere bedrijven) halffabricaten, grond-, hulp- en brandstoffen die worden gebruikt/ verbruikt in het productieproces 3 / 4
Nationale productie= Alle productie in een land, bron voor de verschillende beloningen BronBeloning ArbeidLoon NatuurHuur/pacht KapitaalRente OndernemerschapWinst Som toegevoegde waarden=Nationale productie=Nationale inkomen Nationale productie=Nationale inkomen=som primaire imkomens (beloningen) Primaire inkomens= inkomens voor belastingheffing
Waarde eindproduct resultaat van:
-Marktwerking -Kostprijsverlagende subsidies (stimuleren van aankopen) -Kostprijsverhogende belastingen (BTW en accijnzen) oIndirecte belastingen Hoog loonaandeel, goed voor consumptieve vraag in de economie Belangrijk is, balans tussen hoogte lonen (koopkrachteffect) en winst van bedrijven 1.3Vormen van concurrentie omzet =P xq winst =omzet −kosten Winstmarge=( verkoopprijs – inkoopprijs)/ verkoopprijs Bedrijfstakgenoten= bedrijven die iets soortgelijks aanbieden Bedrijfskolomgenoten= leveranciers en afnemers
3 soorten concurrentie:
1.Interne concurrentie= onderlinge concurrentie in de bedrijfstak, doel = marktaandeel 2.Externe concurrentie= concurrentie binnen bedrijfskolom, doel= winstmarge 3.Potentiële concurrentie= beïnvloedt interne en externe concurrentie, invloed op winst van bedrijven
- / 4