- / 4
- / 4
Compacte samenvatting zonder blabla, alleen de belangrijkste kernzaken
Hoofdstuk 1: Inleiding
Drie essentiële pijlers voor een succesvolle organisatie:
• Strategie: vormt de verbinding tussen de externe omgeving en de interne structuur van de organisatie.
• Operationele uitvoering: omvat de dagelijkse activiteiten en processen.
• Organisatiestructuur: betreft de verdeling van taken en verantwoordelijkheden en de wijze van samenwerking.Wanneer de eisen vanuit de externe omgeving veranderen, moet de organisatie hier proactief op inspelen.
Hoofdstuk 2: Management, organisatie en besluitvorming
Het begrip management kent drie invalshoeken:
• Een specifieke groep leidinggevenden (top-, midden- en eerstelijnsmanagement).• De werkzaamheden die managers uitvoeren.• Een vakgebied dat alle opgedane kennis en vaardigheden omvat.Rollen van managers
• Construerende taken: plannen en structureren van werkzaamheden.
• Dirigerende taken: geven van instructies en bewaken van de uitvoering.
Volgens Mintzberg vallen de activiteiten van managers uiteen in drie hoofdcategorieën: • Interpersoonlijke rollen: optreden als representatief gezicht van de organisatie.
• Informationele rollen: verspreiden van interne en externe informatie.
• Besluitvormende rollen: oplossen van problemen en het nemen van strategische beslissingen.
Kotter onderscheidt andere kenmerken:
• Managers schakelen vaak snel tussen uiteenlopende activiteiten.• Effectieve managers hanteren een duidelijke agenda, waarin zij prioriteiten en op te lossen vraagstukken vaststellen.Betekenissen van ‘organisatie’ • Een samenwerkingsverband van mensen met gemeenschappelijke doelen.• De inrichting van structuren, processen en verantwoordelijkheden.• Het proces van organiseren zelf. 3 / 4
Kernprocessen
• Input: middelen en grondstoffen die de organisatie binnenkomen.
• Throughput:
Logistieke activiteiten: productie en levering van goederen of diensten.
Ondersteunende activiteiten: faciliteren en aansturen van logistieke processen.
• Output: eindproducten en resultaten.
Theorieën
• Beschrijvend (descriptief): geeft weer hoe de werkelijkheid functioneert.
• Voorschrijvend (prescriptief/normatief): geeft richtlijnen voor verbetering (bijv. Kotters theorie).
• Universeel: stelt dat bepaalde principes altijd gelden.
• Situatieafhankelijk: uitkomst wordt bepaald door context en omstandigheden.
Fasen in besluitvorming 1.Probleemdefinitie: analyseren van oorzaken, bijv. via krachtenveldanalyse om fouten te halveren.
2.Oplossingsrichtingen ontwikkelen: brainstormen en lateraal denken voor nieuwe ideeën.
3.Keuze maken:
oBeslissingsmatrix: vergelijkt mogelijke uitkomsten in woorden.
oBeslissingsboom: visualiseert opties en externe invloeden.
Denkprocessen bij besluitvorming
• Snel denken (fast thinking): intuïtief en emotioneel.
• Langzaam denken: rationeel en weloverwogen.
Een evenwichtige combinatie van beide leidt tot betere beslissingen.
- / 4