Course Overzicht Meer specifiek is de student na het succesvol afronden van de cursus in staat (tot (het)): Evalueren en formuleren van verschillende onderzoeksvragen en onderzoekshypotheses, rekening houdend met veel voorkomende comorbiditeit en en differentiaaldiagnostiek, beargumenteerd met relevante literatuur.Selecteren (en herkennen) van passende onderzoeksinstrumenten, beargumenteerd met relevante literatuur Verantwoorden en beargumenteren van een diagnose op basis van een integratie van algemene psychopathologie en informatie vergaren in het kader van het diagnostische proces.Reflecteren op en verbetervoorstellen doen voor de onderzoeksopzet, het beschrijven van de praktische haalbaarheid en het identificeren van mogelijke stoorfactoren.Reflecteren op de richtlijnen van de beroepscode van het NIP in het kader van de onderzoeksopzet en de rol van student binnen het diagnostisch onderzoek.Toepassen van onderdelen van de diagnostiek op verschillende werkvelden en populaties.
1 / 4
2 / 4
Introductie en Theoretisch kader [ college 1] Wat is diagnostiek?Diagnostiek is een besluitvormingsproces waarin de diagnosticus – in interactie met de cliënt/patiënt/onderzochte – voortdurend hypothesen formuleert en test, gepaste instrumenten selecteert en gegevens interpreteert, waarbij hij/zij/hen op dynamische wijze informatie van verschillende bronnen integreert. Wat is de toepassing van diagnostiek? Voorbeeld per track
Klinische GGZ: bijvoorbeeld wanneer iemand stemmingsklachten heeft.
Forensische setting: bijvoorbeeld wanneer de rechtbank een verklaring of advies zoekt over het criminele gedrag van een verdachte.Binnen de kind en jeugdsetting: bijvoorbeeld wanneer een kind op school tegen leerproblemen aanloopt. Een diagnosticus wilt begrijpen welke interne psychische processen en omgevingsinvloeden ten grondslag liggen aan klachten/problemen van de cliënt, patiënt of onderzochte (bijvoorbeeld het systeem). Verschillende categorieën van vragen tijdens psychologische analyse 1.Classificatie (classification) Bijvoorbeeld 'heeft deze persoon een depressieve stoornis?' 2.Uitleg (explanation) waarom vragen 3.Voorspelling & indicatie (prediction and indication) toekomst gerichte vragen en vragen gericht op óf en wat er gedaan moet worden 4.Evaluatie (evaluation) Het diagnostisch proces De empirische cyclus
1.Observatie: verzamelen van gegevens
2.Inductie: bedenken wat er aan de hand kan zijn,
uitwerken van opzet
3.Deductie: formuleren van hypothese
4.Toetsing: toetsing van de hypothese
5.Evaluatie: evalueren van het proces 3 / 4
Gebruik van methode binnen het diagnostisch proces Alle methodes hebben voor en nadelen.
1.Observaties: wie, wat, waar, hoe, hoeveel, hoe vaak en waarom.
oUnieke informatie die vaak niet met vragen of toetsing kan worden verkregen.oIn kaart brengen van interacties tussen cliënt en hun omgeving, zonder bias van de cliënt zelf.oRisico dat gedrag wordt geïnterpreteerd in plaats van objectief geobserveerd.oRisico dat wanneer mensen weten dat ze geobserveerd worden, dat ze hun gedrag veranderen. Observaties door derden, zoals ouders, leren, etc.oLastig in te zetten in praktijk, gezien hoeveel er geregeld moet worden.oRisico dat observeerder het niet eens zijn met elkaar. (bijvoorbeeld, ouders zien ergere problemen dan clinici).oNuttiger bij externaliserende problematiek. Zelf-observatie: kan ingezet worden om gedrag te observeren dat niet te zien is, zoals gevoelens en gedachtes.oNiet iedereen is even goed in zijn eigen gedrag observeren.oSubjectief. Standaard en niet-standaard observatie
oStandaard observatie: gebruikt evaluatie schalen.
Verminderd risico op oordeel fouten.Niet voor alle problematiek zijn er observatie schalen ontwikkeld.Vaak te weinig psychometrische data beschikbaar om schalen te valideren.
oNiet-standaard observatie: risico op oordeel fouten (bias).
Fundamentele attributie bias Andere biases staan beschreven in het college over heuristieken. Hoe wordt observatie gemeten?oTime sampling: hoe vaak komt een gedrag voor binnen een vastgestelde tijdsperiode.oEvent sampling: hoe vaak komt een gedrag voor. Nuttig voor weinig infrequent of problematische gedrag. 1.Interviews oIdeografisch of persoon-georiënteerde aanpak: uniekheid van het individu staat centraal. Een concrete en complete beschrijving van het individu wordt gezocht.[klinisch oordelen, clinical judgement] oNomothetisch of norm-georiënteerde aanpak: nadruk ligt op algemene wetten, en de persoon wordt begrepen door analytisch denken, theoretische informatie, en empirische testen. [statistiek oordeel, statistical judgement]
Semigestructureerd interview: biedt balans tussen structuur en flexibiliteit.
oHogere betrouwbaarheid van diagnostische oordeel, door systematisch vastleggen van klachten en symptomen, en geen belangrijke symptomen overslaan.
- / 4