Pagina 1 van 10
De sociaal-maatschappelijke dimensie Thema 1 – Cultuur en identiteit Hoofdstuk 1 – Identiteit en gedrag Identitiet Ieder mens is een individu. Een individu is een uniek persoon met een eigen identiteit. Identiteit is het geheel van eigenschappen van een persoon. Een eigenschap is iets waar je iemand aan herkent of iets wat bij die persoon hoort.
De identiteit van mensen wordt gedeeltelijk gevormd door invloeden uit de omgeving. Het bewust aan geleerd krijgen van regels en gewoonten van je ouders, school en omgeving noem je opvoeding.Hoe, waar en door wie jij wordt opgevoed, heeft grote invloed op jouw identiteit.Eigenschappen die worden doorgegeven aan nakomelingen, noem je erfelijke eigenschappen.
Gedrag Gedrag geeft aan hoe iemand zich in een bepaalde situatie gedraagt. Hoe je je gedraagt, is onderdeel van je identiteit.
Aanhangers van het nature-standpunt denken dat gedrag voor namelijk wordt bepaald door erfelijke eigenschappen. Aanhangers van het nurture-standpunt denken dat menselijk gedrag voornamelijk wordt bepaald door opvoeding en scholing.
Gedrag aanleren Mensen leren vanaf hun geboorte hoe zij zich moeten gedragen. Er zijn drie manieren om gedrag aan
te leren:
- Door herhaling;
- Door te belonen of te straffen;
- Door imitatie.
Imitatie betekent dat je andere mensen nadoet.Het aanleren van de ideeën, regels en gewoonten van een groep noem je socialisatie. Socialisatie zorgt ervoor dat verschillende mensen zich op een manier gedragen die wordt geaccepteerd.
Nature Als je een pasgeboren baby onder water houdt, houdt hij automatisch zijn adem in. De baby hoeft hier niet over na te denken. Het inhouden van de adem is een reflex. Een reflex is een vorm van aangeboren gedrag.
Nurture Veel kinderen gaan op zwemles om te leren zwemmen. Zwemmen kun je niet vanaf je geboorte, maar als je eenmaal hebt leren zwemmen, verleer je het niet meer. Zwemmen is aangeleerd gedrag.
Belonen en straffen:
Als de leraar ziet dat de leerling de letter goed kan schrijven, krijgt de lerling een sticker.
Imitatie:
De leraar schrijft een letter op het bord. De leerlingen kopiëren de letter in hun schrift.
Herhaling:
De leerling schrijft de letter meerdere keren op.
- / 3
Pagina 2 van 10
Thema 1 – Cultuur en identiteit Hoofdstuk 2 – Cultuur Waarden en normen Elke groep gaat uit van een aantal ideeën over wat mensen in die groep belangrijk vinden. Deze
ideeën worden waarden genoemd. Voorbeelden van waarden zijn:
- Vrijheid;
- Gelijkheid;
- Eerlijkheid;
- Respect;
- Solidariteit;
- Vaderlandsliefde;
- Rechtvaardigheid.
Waarden vormen de basis voor de gedragsregels die binnen groep gelden. Deze gedragsregels worden normen genoemd.
Cultuur Een gewoonte is iets wat je vaak op dezelfde manier doet, omdat je dat zo gewend bent.
Een groep mensen kan een gemeenschappelijke cultuur hebben. Een cultuur is een verzameling van waarden, normen en gewoonten die een groep mensen karakteriseert. Naast waarden, normen en gewoonten bestaat een gemeenschappelijke cultuur uit tradities, symbolen en rituelen.
Een traditie is een gewoonte of een gebruik dat van de ene op de andere generatie wordt door gegeven. Symbolen zijn tekens die een specifieke betekenis hebben binnen de tradities en gewoonten van een cultuur. Rituelen zijn handelingen die een bepaalde betekenis hebben in een cultuur.
Thema 1 – Cultuur en identiteit Hoofdstuk 3 – rol en cultuur Rollen Je rol is de manier waarop er van je wordt verwacht dat je je gedraagt binnen een groep. Iedereen heeft verschillende rollen. De verschillende rollen die je hebt, kunnen met elkaar botsen. Er is sprake van een rolconflict als de verwacht over je gedrag in de ene rol niet samengaat met de verwachting over je gedrag in de andere rol.
Dominante cultuur, subcultuur en tegencultuur De cultuur die in een gebied door de grootste groep mensen wordt gedeeld, wordt de dominante cultuur genoemd. Een subcultuur is een cultuur die verschilt met de dominante cultuur, maar die niet in strijd is met de dominantie cultuur. Er zijn ook subculturen waarvan de normen, waarden en gewoonten botsen met de dominante cultuur. Zo’n subcultuur noem je een tegencultuur.
Een nationale identiteit is een identiteit die door de meeste inwoners van een land wordt gedeeld.
Voorbeeld: Bij de waarde eerlijkheid hoort de norm dat je niet mag liegen. 2 / 3
Pagina 3 van 10
Thema 2 – de Nederlandse samenleving Hoofdstuk 1 – De samenleving Samenleven Een samenleving bestaat uit een groep mensen die in hetzelfde gebied of hetzelfde land wonen, werken en leven. Een ander woord voor samenleving is maatschappij.
Respect betekent waardering hebben voor een ander en rekening houden met anderen. Tolerantie is het accepteren van mensen die anders zijn dan jij. In elke samenleving is een zekere mate van tolerantie nodig om met elkaar te kunnen samenleven.
Gedrag in de samenleving Fatsoennormen zijn normen die aangeven hoe mensen vinden dat ze in bepaalde situaties met elkaar moeten omgaan. Mensen die afwijken van de norm, kunnen zaken in een samenleving ter discussie stellen. Ze kunnen met hun gedrag andere mensen laten zien dat het ook anders kan. Als afwijkend gedrag andere overlast bezorgt, noem je dat asociaal gedrag. Iemand vertoont asociaal gedrag als hij weinig of geen rekening houdt met de mensen om hem heen.
Gedrag dat voor een groot gedeelte wordt bepaald door de normen en waarden van een specifieke groep noem je groepsgedrag. De groep kan jou onder druk zetten om je net zo te gedragen als de rest van de groep. Dat noem je groepsdruk.
De multiculturele samenleving In Nederland leven mensen uit verschillende culturen met elkaar samen. Je noemt de Nederlandse samenleving daarom een multiculturele samenleving.Er zijn uiteenlopende manieren om met verschillen en problemen in een multiculturele samenleving
om te gaan. Voorbeelden daarvan zijn:
- Segregatie:
Er is sprake van segregatie als verschillende culturen niet met elkaar, maar naast elkaar leven.
A + B + C + D =
A B C D
Iedere groep leeft volgens eigen cultuur.
- Integratie:
Er is sprake van integratie als verschillende culturen met elkaar samenleven en elkaars gewoonten overnemen. Integratie betekent ook dat de dominante cultuur kenmerken van andere culturele groepen overneemt.
A + B + C + D =
A B C D
Aanpassen aan dominante cultuur, wel nog dingen volgens eigen cultuur
- Assimilatie:
Bij assimilatie past een groep zich volledig mogelijk aan een andere cultuur aan. Soms wordt binnen een samenleving verwacht dat iedereen zich volledig aan de dominante cultuur aanpast. Dat is een vorm van assimilatie.
A + B + C + D =
A Volledig aangepast aan de dominante cultuur.
- / 3