Leerdoel 1 De student kan de verschillende ontwikkelingstheorieën beschrijven, kent de verschillende modellen hierbij en kan deze ook toepassen Ontwikkelingstheorie van Piaget
- Kennis komt NIET tot stand door het passief ontvangen van informatie, MAAR is het resultaat van een interactief
- Alle kinderen doorlopen STAPSGEWIJS en in VASTE VOLGORDE de stadia van de cognitieve ontwikkeling
- Vindt dat de cognitieve ontwikkeling plaatsvindt in sociale en culturele context
- Legde de nadruk op de BEGELEIDENDE ROL van volwassenen die het kind nodig heeft om kennis en vaardigheden
- Vond dat taal en denken nauw met elkaar samenhangen, beschouwde denken als een vorm van INNERLIJKE TAAL
- Vond dat kinderen MET HULP VAN anderen meer kennis hadden, op een hoger niveau konden functioneren
proces
Ontwikkelingstheorie van Vygotsky
op te doen
Verschil Piaget en Vygotsky Piaget: Zag de cognitieve ontwikkeling als het construeren van kennis DIE HET KIND ZELF OPDOET in interactie met de fysische omgeving Vygotsky: Legt de nadruk op de BEGELEIDENDE ROL VAN VOLWASSENEN die het kind nodig heeft om kennis en vaardigheden op de doen Piaget: Ging er vanuit dat kinderen eerst een BEPAALD NIVEAU VAN RIJPHEID moeten hebben voordat zij in staat zijn om te leren Het belangrijkste verschil tussen de denkbeelden van Piaget en Vygotsky ligt in hun benadering van cognitieve ontwikkeling.Piaget Vygotsky Benadrukt de rol van de individuele ontwikkeling, stadia van ontwikkeling en zelfgestuurd leren Benadrukt de sociale interactie, cultuur, de zone van naaste ontwikkeling en de rol van taal en begeleiding in de ontwikkeling van kinderen Legt de nadruk op zelfontdekkingLegt de nadruk op de invloed van anderen en de omgeving Construeren van kennis die het kind zelf op doet Begeleidende rol van volwassenen die het kind nodig heeft om kennis en vaardigheden op te doen
NIET ALLE IDEEËN VAN PIAGET BLEKEN HOUDBAAR
Andere onderzoekers toonden aan dat kinderen sommige vaardigheden VROEGER BEZATEN dan Piaget veronderstelde Ook de stapsgewijze ontwikkeling bleek NIET ZO KEURIG te verlopen als verondersteld Adapteren Het proces waarmee kinderen veranderen in gedrag of denken om effectiever te kunnen functioneren Assimilatie Accommodatie Het proces waarmee BESTAANDE VAARDIGHEDEN of KENNIS worden gebruikt in NIEUWE situaties Het proces van AANPASSING van bestaande vaardigheden of kennis, om met een NIEUWE situatie om te gaan Cognitieve ontwikkelingsstadia
- 0-2 jaar Sensomotorische periode
- 2-7 jaar Pre-operationele periode
- 7-11 jaar Concreet-operationele periode
- >11 jaar Formeel-operationele periode 1 / 3
Cognitieve ontwikkelingsstadia Kenmerken Sensomotorische periode 0 tot 2 jaar Ontwikkeling van de zintuigen, tasten voelen en proeven Ontwikkelen van de motoriek Ontwikkelen van het geheugen Objectpermanentie is in eerste instantie nog niet ontwikkeld Pre-operationele periode 2 tot 7 jaar Kinderen kunnen eenvoudige oorzakelijke verbanden in het dagelijks leven leggen Egocentrisme Alleen maar aan jezelf denken Animisme De neiging om aan niet-levende dingen leven toe te kennen Artificialisme Geloven dat alles door de mens is gemaakt Realisme De neiging om psychische fenomenen zoals gedachten of dromen echt te zien Concreet-operationele periode 7 tot 11 jaar Ontstaat de mogelijkheid om logisch en systematisch te denken Kinderen zijn in staat tegenstrijdigheden of onjuistheden te ontdekken Formeel-operationele periode >11 jaar Het abstract-logisch denken komt hier tot ontwikkeling Adolescenten kunnen hier de juiste conclusies trekken Objectpermanentie Weten dat voorwerpen aanwezig blijven, ook al zijn ze uit het zicht verdwenen Stadia Kenmerken Stadium 1 en 2 (0-4 maanden) -Kijkt geïnteresseerd -Grijpt naar voorwerp -Verliest interesse zodra het voorwerp geheel of gedeeltelijk bedekt wordt Stadium 3 (4-8 maanden)-Grijpt naar voorwerp wat gedeeltelijk bedekt is -Zoekt niet naar voorwerp dat geheel bedekt wordt terwijl het kind kijkt Stadium 4 (8-12 maanden) -Vindt voorwerp dat geheel bedekt wordt -Maar niet als na enkele keren op dezelfde plaats het kind het voorwerp op een andere plaats bedekt ziet worden 2 / 3
Stadium 5 (12-18 maanden) -Vindt voorwerp dat het kind op verschillende plaatsen bedekt ziet worden -Maar niet als voorwerp bedekt verplaats wordt
- Kind kan geen gevolgtrekkingen maken over wat er
met het voorwerp gebeurt dat uit het zicht is Stadium 6 (18-24 maanden) -Kind zoekt voorwerp op verschillende plaatsen ook al heeft het kind het voorwerp niet verplaatst zien worden -Voorwerp is meestal mentaal gepresenteerd Zone van proximale (naaste) ontwikkeling De afstand tussen het niveau van probleemoplossend vermogen dat tot stand kan komen onder begeleiding van volwassenen of door samenwerken met slimmere leeftijdsgenoten (Vygotsky) Guided Participation Social Scaffolding Actief begeleiden, bijvoorbeeld een ouder die een kind begeleidt bij het maken van een puzzel Volwassenen helpen het kind vaardigheden en kennis te verwerven door INSTRUCTIE EN UITLEG over de doelen van een taak, het voordoen hoe iets gemaakt wordt of hoe een probleem opgelost kan worden De instructies zijn EXPLICITIER (duidelijker)
KRITIEK OP BEIDE THEORIEËN
Piaget Vygotsky Er wordt teveel nadruk gelegd op het INVIDIDU en te weinig op de rol van sociale interacties en cultuur Er wordt teveel nadruk gelegd op SOCIALE INTERACTIES Psychoanalytische theorie van Freud Theorieën over de emotionele en sociale ontwikkeling en over de persoonlijkheidsontwikkeling aan de hand van behandelingen van patiënten ES/IDAangeboren driften (agressie en libido) EGO Aangeleerd gedrag, sociaal aanvaardbare en veilige manieren vinden om met de driften om te gaan SUPEREGO Onbewust, schuld en schaamte, staat voor geweten Stadia in de persoonlijkheidsontwikkeling volgens Freud
- De orale fase (0 tot 1,5 jaar)
- De anale fase (1,5 tot 2,5 a 3 jaar)
- De fallische fase (3 tot 6 a 7 jaar)
- De latentiefase (7 tot 11 jaar)
- De genitale fase (> 11 jaar)
- / 3