Diagnostiek bij kinderen, jongeren & gezinnen
1
Diagnostiek bij kinderen, jongeren & gezinnen Een theoretisch kader voor de praktijk Deel 1
Guy Bosmans Laurence Claes Patricia Bijttebier Ilse Noens (red.)
- / 3
Diagnostiek bij kinderen, jongeren & gezinnen
2 Inhoudsopgave
- De empirische cyclus als formeel model van diagnostisch handelen. ...................................................... 3
- Het universele noden model. .................................................................................................................. 5
- Multi-informant en multi-methode diagnostiek: een duiding aan de hand van een casus. ................... 10
1.2 De empirische cyclus als basis van formele modellen van diagnostisch handelen ............................. 3 1.3 Verschillen en gelijkenissen tussen formele modellen van diagnostisch handelen ............................. 4
2.1 De noodzaak van een theoretisch model als leidraad ....................................................................... 5 2.2 Niveaus van diagnostiek ................................................................................................................. 5 2.3 Analyse van de diagnostische vraag ................................................................................................ 5 2.4 Het universele noden model ............................................................................................................ 5 2.5 Het spanningsveld tussen actie en strategie .................................................................................... 9 2.6 Conclusie ........................................................................................................................................ 9
6.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 10 6.2 Kernstellingen bij het werken met kinderen en jongeren ................................................................ 10 6.3 Aanmeldingsfase .......................................................................................................................... 10 6.4 Strategiefase ................................................................................................................................ 11 6.5 Onderzoeksfase ............................................................................................................................ 12 6.6 Integratie/aanbevelingsfase ......................................................................................................... 12 6.7 Adviesfase en evaluatie................................................................................................................. 12
- / 3
Diagnostiek bij kinderen, jongeren & gezinnen
3
- De empirische cyclus als formeel model van diagnostisch handelen.
Een goede hulpverlener vereist kwaliteitsvolle diagnostiek, omdat elke hulpverlener het risico loopt om de vragen en problemen van cliënten te veel te benaderen vanuit zijn of haar eigen referentiekader. De meest basale beveiliging hiertegen is om systematisch te werk te gaan tijdens het diagnostisch proces.In dit hoofdstuk wordt de algemene logica achter formele diagnostische modellen weergeven, inclusief verschillen en overeenkomsten.
1.2 De empirische cyclus als basis van formele modellen van diagnostisch handelen Volgens de logica van de empirische cyclus dient het diagnostisch proces opgevat te worden als een wetenschappelijk onderzoek. De onderzoeker wordt geconfronteerd met een onduidelijkheid in een
theorie:
- formuleert hierover een hypothese;
- toetst de hypothese;
- en besluit dan of de getoetste hypothese weerhouden of verworpen dient te worden.
De empirische cyclus legt de diagnosticus de volgende stappen op. Dit met als doel om deze systematisch te doorlopen bij elke nieuwe hulpvraag om de kans op foutieve- en te snel getrokken conclusies te verkleinen.
- observatie
- inductie
- deductie
- toetsing
- evaluatie
De empirische cyclus (De Groot, 1961)
Observatie: het verzamelen van informatie over de problemen en probleemsituatie
en de sterktes en van de cliënt en cliëntsysteem. Dit vergt goede gespreks- en observatievaardigheden. Essentieel is het oog hebben voor niet-verbale informatie.“Wat wordt er niet gezegd?” “Kijken gezinsleden elkaar aan wanneer het over een moeilijk onderwerp gaat?”.à Observaties zijn samen met verbale informatie cruciaal om goede hypothesen te formuleren.
Inductie: om goede hypothesen te stellen is theoretische bagage over de factoren en de mechanismen die het menselijk gedrag en de menselijke interacties bepalen noodzakelijk.à Diagnostiek kan enkel gebeuren door kennis van relevante theorieën en het in verband brengen van deze theorieën met elkaar.
Deductie: na het stellen van hypothesen dienen deze getoetst te worden. Twee zaken
zijn hiervoor essentieel:
- gebruiken van adequate strategie om te toetsen;
- gebruiken van toetsingscriteria: keuze van instrumenten/informanten.
Het gebruik van verschillende soorten instrumenten wordt multimethodeonderzoek genoemd. Dit maakt het mogelijk om te kijken naar convergentie/divergentie tussen de resultaten van de verschillende instrumenten. Het inzetten van verschillende informanten wordt multi- informantenonderzoek genoemd. Om zo een breed en helder beeld te krijgen van bepaald probleemgedrag of een probleemsituatie.à Voor het verzamelen van informatie, vast leggen wanneer hypothesen aanvaard of verworpen worden (opstellen toetsingscriteria). Om oordeelsfouten te voorkomen.Observatie Inductie Deductie Toetsing Evaluatie
- / 3