• wonderlic tests
  • EXAM REVIEW
  • NCCCO Examination
  • Summary
  • Class notes
  • QUESTIONS & ANSWERS
  • NCLEX EXAM
  • Exam (elaborations)
  • Study guide
  • Latest nclex materials
  • HESI EXAMS
  • EXAMS AND CERTIFICATIONS
  • HESI ENTRANCE EXAM
  • ATI EXAM
  • NR AND NUR Exams
  • Gizmos
  • PORTAGE LEARNING
  • Ihuman Case Study
  • LETRS
  • NURS EXAM
  • NSG Exam
  • Testbanks
  • Vsim
  • Latest WGU
  • AQA PAPERS AND MARK SCHEME
  • DMV
  • WGU EXAM
  • exam bundles
  • Study Material
  • Study Notes
  • Test Prep

Domein 1: mondelinge taalvaardigheid 11 vragen

Class notes Dec 27, 2025 ★★★★★ (5.0/5)
Loading...

Loading document viewer...

Page 0 of 0

Document Text

Domein 1: mondelinge taalvaardigheid (11 vragen)

De luisterdoelen zijn:

-Iets te weten willen komen -Een gevoel willen ondergaan -Een mening willen vormen -Een handeling willen uitvoeren -Een spel willen spelen

De luisterstrategieën zijn:

-Globaal luisteren

-Intensief luisteren: opnemen van details

-Gericht luisteren: alleen geïnteresseerd is een bepaald aspect

-Kritisch luisteren: vormen van een eigen mening

Spreekdoelen:

-Amuseren -Informeren -Instrueren -Overtuigen

Spreekstrategieën:

-Oriënteren op het doel van de spreektaak, het onderwerp, soort spreektaak en op de gesprekspartner of het publiek -Reflecteren op de spreektaak -Monitoren van de spreektaak -Evalueren van de spreektaak De sociale taalfuncties zijn zelfhandhaving (jezelf beschermen), zelfsturing, sturing van anderen (beïnvloeden gedrag van een ander) en structurering van het gesprek (bv. mag ik even wat zeggen?).De cognitieve taalfuncties zijn rapporteren, redeneren en projecteren.-Rapporteren: verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt. Hieronder vallen: benoemen, beschrijven, vergelijken (Dit is een visje met een lange staart, die andere is korter) -Redeneren: beschrijving waarin een extra denkstap wordt verwoord. Hieronder vallen: chronologisch ordenen, concluderen, middel-doelrelatie of instrumentele relatie leggen, oplossen van een probleem, oorzaak-gevolgrelatie leggen (Als we de deur van de koelkast opendoen, gaat de cavia piepen, want dan wil hij ook eten.) -Projecteren: verplaatsen in de gedachten en de gevoelens van iemand anders (Esra heeft geen zin om te spelen. Ze is verdrietig want haar konijn is dood.) De taalverwerving van een kind ontwikkelt op verschillende niveaus.

1.Fonologisch niveau: het vormen van spraakklanken (van een baby aah, oow)

2.Morfologisch niveau: de manier waarop woorden worden gevormd. Kinderen raken

langzaam gewend aan de regels van de Nederlandse taal. Ze maken nog fouten als ‘gevald’ en ‘geloopt’.

3.Semantisch niveau: hier gaat het om de betekenis van woorden. Kinderen leren niet in één keer de juiste betekenis van alle woorden. Eerst noemt een kind bv. alle dieren nog een koe.

4.Syntactisch niveau: de regels voor het combineren van woorden en dus het vormen van een zin. Kinderen krijgen langzaam zicht in de grammaticale regels en kunnen zinnen vormen.

5.Pragmatisch niveau: de regels van taal en communicatie. Juist kiezen van de woorden die je gebruikt bij communicatie. Gebruiken van ‘nette’ taal. 1 / 3

-Creatieve constructie theorie. Deze theorie gaat er vanuit dat kinderen taal niet imiteren, maar dat kinderen beschikken over een aangeboren taalleermechanisme en bouwen doormiddel van creativiteit zinnen.-Interactionele benadering: Het taalaanbod van de omgeving en de interactie tussen een kind en andere moedertaalsprekers is belangrijk bij het leren van taal. Er is ook sprake van een aangeboren taalvermogen. Taalaanbod moet wel afgestemd zijn op mogelijkheden van kind.De taalontwikkelingsfasen (kunnen herkennen in taaluitingen van kinderen) 1.Prelinguaal (van 0 tot 1 jaar) dit wordt nog niet echt taal genoemd. Het is daarom door voortalige periode. De kenmerken in deze periode zijn: huilen (vorm van communicatie), vocaliseren (zelf produceren van klanken voornamelijk klinkers), vocaal spel (gevarieerdere klanken en ook medeklinkers), brabbelen (herhalen van klankgroepen, ze zeggen misschien wel mama, maar zijn zich hier niet bewust van – uiteindelijk zinsmelodie in te ontdekken).

2.Linguaal -Vroeg linguale fase (1 tot 2,5): Brabbelen gaat langzaam over in betekenisvol taalgebruik.Aan het begin zijn woorden vooral verbonden een gebeurtenis of actie. Later leren ze dat je ook kunt verwijzen. Kinderen gaan van de eenwoordzinnen naar tweewoordzinnen en vervolgens naar de meerwoordzinnen.-Differentiatiefase (2,5 tot 5): kinderen leren nu ook morfologische en pragmatische aspecten van taal. Woorden kunnen van vorm veranderen en die vormveranderingen betekenen ook echt iets. Ze kunnen taal ook los gebruiken van een concrete context. Een kind ontdekt zelf onregelmatigheden in de taal zoals meervouden, verkleinwoorden en vervoegingen.-Voltooiingsfase (5-9): Alle processen in de vorige fases worden uitgebouwd. Verschil met volwassenen is dat hun woordenschat groter is, verledentijd van werkwoorden en het maken van lange zinnen.De taalverweving zoals hierboven is omschreven is voor de kinderen voor wie Nederlands de eerste taal is. Nederlands kan ook de tweede taal zijn. Dan is Nederlands de tweede taalverwerving. Dit zijn kinderen die Turks en Marokkaans spreken, maar ook kinderen die thuis dialect spreken. Er bestaat simultane en successieve taalverwervering. Bij simultane taalverwerving gaat de taalverwerving van de twee talen tegelijk en/of als ze voor hun derde levensjaar beginnen met het leren van de taal. Bij successieve taalverwerving leert iemand de taal door kennis van zijn eigen moedertaal. Bij successieve taalverwerving treden vaak interventiefouten op. Dat zijn fouten die voorkomen uit het verschil tussen de eerste en de tweede taal. De tweedetaalverwerving duurt vaak veel langer dan 6 jaar. De tijd van een tweedetaalverwerving verschilt veel afhankelijk hoe vaak het kind er mee in aanraking komt.De communicatieve competentie is het vermogen om te kunnen communiceren. Deze is te verdelen

in vier deel competenties:

-Grammaticale competentie: beschikken over fonologische en syntactische vaardigheden en over een adequate woordenschat.-Tekstuele competentie: vaardig zijn in het doorzien van de opbouw van teksten en deze ook kunnen structureren.-Strategische competentie: kunnen gebruiken van strategieën om communicatieve doelen te halen.-Functionele competentie: taalgebruik aanpassen aan specifieke contexten. 2 / 3

Domein 2: Woordenschat (9 vragen)

Het aantal woorden dat een kind kent verschilt enorm. Bij de woorden die we kennen maken we onderscheid tussen de receptieve en productieve woordenschat. De woorden die kinderen gebruiken om me anderen te communiceren noemen we de productieve woordenschat (ook wel actieve woordenschat). De receptieve woordenschat (passieve woordenschat) zijn de woorden die kinderen begrijpen of de betekenis herkennen, maar niet zelf gebruiken.Er zijn vier manieren om de woordbetekenis te achterhalen. Dit noemen we ook wel de

woordleerstrategieën. De vier woordleerstrategieën zijn:

-Analyseren van een woord: kijken naar afzonderlijke woorden in een woord of naar voor- en achtervoegsels.-Gebruik maken van de (verbale en non-verbale) context: kijken naar de zin die om het woord heen staat.-Gebruik maken van een bron in de eerste of tweede taal: vragen aan een klasgenoot of leerkracht of opzoeken op internet of woordenboek.-Letten op overeenkomsten tussen de eerste en de tweede taal. Van toepassing op bijvoorbeeld allochtone kinderen. Ze kunnen kijken of ze een woord herkennen is eigen taal.Kinderen leren sneller een woord als ze het al kennen is de eerste taal.Kinderen leren niet direct alle kenmerken van een woord. Ze leren eerst de klank van het woord gekoppeld aan de betekenis. Eerste leren ze dus de fonologische identiteit en dan de semantische identiteit. De klankvorm van een woord wordt ook wel het label en de betekenis het concept genoemd. Je kunt kinderen op verschillende manieren de betekenis van een woord aanleren. Je kan een plaatje laten zien van het voorwerp. Dat noemen we de concrete betekenis, maar je staat dan niet stil bij alle betekenisaspecten van een woord. Je kan bijvoorbeeld een beschrijving geven van een woord, maar dit is vaak lastig omdat je in je omschrijving gebruik maakt van andere begrippen.Sommige woorden zijn niet uit te beelden. Je kunt dan voorbeelden geven van het woord. Dit noemen we de abstracte betekenis. Je kan het woord ook in relatie met andere woorden aanbieden.Dit noemen we ook wel de contextuele betekenis.De woordenschat van kinderen en volwassenen is geen verzameling van losse woorden. De woorden

vormen een netwerk. Tussen woorden bestaan verschillende relaties:

-Betekenisrelaties: synoniemen (venter en raam), categorie en exemplaar (vogel en mus) dit wordt ook wel een hyponiem genoemd, context (schort en koekenpan), antoniem (=tegenstelling) (warm en koud).-Vormrelatie: relatie tussen woorden die hetzelfde klinken. Bijvoorbeeld rijmwoorden of gelijke woorden met een andere betekenis (bank en bank).Kinderen gebruiken thuis andere woorden dan op school. Er zijn verschillende soorten woorden te

onderscheiden:

-Vaktaalwoorden: woorden die je niet in het dagelijks taalverkeer tegen komt, maar die je wel moet kennen op bepaalde vakken te begrijpen. Bijvoorbeeld erosie, persoonsvorm, klinker.-Schooltaalwoorden: abstracte begrippen die leerlingen moeten kennen om het onderwijs te

kunnen volgen. Bijvoorbeeld: oorzaak, gevolg, thema, functie

-Signaalwoorden: geven een lezer informatie over relaties in een tekst. Dit kan bijvoorbeeld een tijdsaanduiding zijn of een woord die de relatie tussen twee alinea’s verduidelijkt.Ook is er nog een onderscheid te maken tussen inhoudswoorden en functiewoorden.Inhoudswoorden zijn alle werkwoorden, zelfstandig naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Functiewoorden zijn alle lidwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels en voegwoorden.

  • / 3

User Reviews

★★★★★ (5.0/5 based on 1 reviews)
Login to Review
S
Student
May 21, 2025
★★★★★

The comprehensive coverage offered by this document helped me ace my presentation. A impressive purchase!

Download Document

Buy This Document

$1.00 One-time purchase
Buy Now
  • Full access to this document
  • Download anytime
  • No expiration

Document Information

Category: Class notes
Added: Dec 27, 2025
Description:

Domein 1: mondelinge taalvaardigheid (11 vragen) De luisterdoelen zijn: -Iets te weten willen komen -Een gevoel willen ondergaan -Een mening willen vormen -Een handeling willen uitvoeren -Een spel ...

Unlock Now
$ 1.00