Ecologie 2 condities en resources Niche variabele, de optimumkromme kan per organisme verschillen en hetgeen wat op de assen staat kan ook verschillen. Zo kan voor een soort de populatiegrootte weergegeven worden op de Y-as, maar bij planten kan bijvoorbeeld ook de fotosynthese activiteit bekeken worden.Condities, zijn veranderbaar, maar niet consumeerbaar.Resources, ook wel hulpbronnen, zijn veranderbaar en consumeerbaar. Hier kan dan ook competitie plaatsvinden.Temperatuur, is een belangrijke conditie die o.a. een rol speelt in de bepaling van de snelheid van biologische processen. Een parameter die hierbij gebruikt wordt is Q10. Deze parameter geeft hoe veel sneller een proces gaat als de temperatuur 10 °C stijgt. Als de Q10 gelijk is aan 1 zal er geen verandering in snelheid plaatsvinden, zoals in de grafiek ook te zien is, maar de meeste processen hebben een Q10 van 2 of 3 en dan neemt de snelheid snel toe. Bij een Q10 van 2 verdubbelt de snelheid van de reactie bij elke 10 °C toename. In toendragebieden zie je vaak een Q10 van 4. Het proces gaat dan nog steeds vrij langzaam, maar relatief gezien gaat het sneller.Temperatuur & verspreiding, de temperatuur bepaalt de geografische verspreiding van soorten door de tolerantie grenzen. Lethale condities hoeven maar enkele keren op te treden om de verspreiding van een soort te beperken. Meestal zijn de grenzen van het verspreidingsgebied al bereikt door sub- optimale condities vanwege verminderde vitaliteit en reproductie.Temperatuur & biotische interacties, de geografische verspreiding van een soort wordt ook bepaald door biotische interacties. Zo is het voorkomen van de het St Jans kruid indirect gecorreleerd met de temperatuur, omdat het voorkomen van een bepaald herbivoor hier invloed op heeft.Temperatuur & plant adaptaties, de temperatuur is bepalende voor dominante plant adaptaties. Denk hierbij aan C3 en C4 i.v.m. verdamping. C4 planten kunnen tegen hogere temperaturen dan C3 planten, omdat zij hun CO2 efficiënter verkrijgen en daardoor minder vocht verliezen. In noordelijke delen staan meestal meer C3 planten en in zuidelijke delen meer C4 planten. In de grafiek is deze samenhang met de breedtegraad weergegeven.Klimaatverandering, heeft een indirect en direct effect op ecosystemen.Broeikasgassen als methaan, koolstofdioxide, lachgas etc. blijven in concentratie toenemen en zorgen ervoor dat e uitstraling vermindert, waardoor de temperatuur op aarde oploopt. Zonder dit effect zou het -100 °C zijn op aarde dus we hebben het nodig, maar de mens versterkt het wel heel heftig. Dit heeft o.a. invloed op de mangrove in Florida. In het zuiden nemen de mangroves namelijk af, terwijl ze in het noorden toenemen. De mangrove schuift dus als het ware naar het noorden toe. De 100% increase geeft aan dat er eerst nog geen mangroves waren (maar zoutmoerassen) en dat er nu wel mangrove aanwezig is. Hierdoor nemen de zoutmoerassen af en de kans is groot dat we daardoor soorten verliezen.Klimaatverandering & soorteninteracties, door de klimaatverandering kan sommige plantensoorten eerder of later bloeien dan voorheen. Dat kan een groot probleem vormen doordat de insecten hun cyclus bijvoorbeeld nog niet aangepast hebben. Zo lopen planten misschien de kans op bestuiving mis en raken veel insecten hun voedselbron kwijt. Deze cascade kan dramatische effecten hebben.Straling, is een resource voor groene planten. Het is zelfs de enige energiebron voor deze planten en een beperkt deel van het spectrum is bruikbaar (PAR 380-710 nm). Alle objecten hebben een straling. Zo zendt de zon heel veel kortgolvige straling uit en de aarde juist langgolvige straling. Deze straling is te berekenen met de naastgelegen formule en de temperatuur is dus een belangrijke factor is de bepaling van het vermogen van de straling. De straling die van de zon 1 / 2
afkomstig is, moet eerst door de atmosfeer heen. Wij worden dus niet direct blootgesteld aan de straling van de zon. In de afbeelding wordt het blauwe gedeelte van de straling weggevangen door de aftmosfeer en het groene gedeelt komt op het aardoppervlak terecht. Wat opvalt is er bijna geen geen straling uit het kortgolvige gebied de aardbol bereikt en dat is maar goed ook, want die is vrij schadelijk.Straling, tijd & ruimte, de straling varieert in ruimte en tijd. Zo verschilt het per plek op aarde hoe de jaarcyclus eruit ziet. In het verre noorden zijn bijvoorbeeld periodes van complete duisternis, terwijl dat rond de evenaar nooit gebeurt. In de afbeelding geven de bovenste zes grafiekje ze radiatie van de zon aan in juni en december. De tweede lijn van de grafiek geeft het vermogen van de straling aan. Deze verschillen komen door de verschillen in invalshoek. Tot de evenaar is de afstand meestal het kortst en maakt de straling een rechte hoek met het oppervlakte en dat is totaal niet het geval op de polen. Dit heeft een groot effect op de mogelijke productie door planten.Straling in vegetatie, in een bosgebied vangt de canopy (het bladerdek) een groot deel van de straling weg. Er blijft maar 2% van de straling over voor de bodemplanten. In een grasland is de verdeling iets gelijker verdeeld. Als haalt maar 3% meer het oppervlakte. Dit komt door het verschil canopy. Bij bomen is die bomen juist dikker en in een grasland wordt die naar beneden toe dichter. Verder zie je in het bos maar 10% reflectie en in het grasland 20%. Dat komt doordat grassen silicium bevatten, waardoor ze glimmen en meer reflecteren.Wet van Lambert Beer, geeft aan dat licht in een exponentieel verband afneemt in een vegetatie. Hierbij is Ii de lichtintensiteit boven de vegetatie en is Ali een fractie van Ii die aangeeft hoeveel van het licht i bereikt. Bovenin wort er dus veel licht weggevangen en wat overblijft is een fractie van een fractie van een fractie… Dit verloopt dus niet bij elke vegetatie precies hetzelfde, maar wel volgens de grote lijnen.Benutting straling, verschilt per plant. Zo heb je licht, schaduw, C3 en C4 planten, waarbij het stikstofgehalte ook nog eens een rol speelt. De grafiek geeft het verschil in netto CO2 opname (dus fotosynthese) aan tussen een zon- en schaduwplant. Wat opvalt is dat de zonnebladcurve bij hoge lichtintensiteit aan meer fotosynthese kan doen dan een schaduwplant. Aan de andere kant is een schaduwplant effectiever bij een lage lichtintensiteit. Het lichtverzadigingspunt ligt dan ook lager bij schaduwplanten dan bij zonplanten. Dit komt doordat zonneplanten veel chlorofyl en rubisco bevatten en dat kost veel energie qua respiratiekosten. Het schaduwblad bevat veel minder chlorofyl en rubisco, waardoor die lage kosten heeft en bij een kleine hoeveelheid licht al winst maakt. Als je bij een boom gaat kijken naar verschillen tussen de hoge en lage bladeren, zie je bij de hoge bladeren meer stomata en ook staan de hoge bladeren veel minder horizontaal dan de lage bladeren. Verder liggen de chloroplasten bij hoge bladeren gewoon onder elkaar, omdat het licht er toch wel doorheen komt, terwijl het bij lage bladeren veel beter verspreid ligt.C4 & C3, als je zon- en schaduwplanten een beetje gaat vergelijken met C3 en C4 planten, dan hebben C4 planten wel iets weg van zonneplanten en C3 van
- / 2