Economie samenvatting H1: Schaarste en welvaart
1.1 Inkomen en welvaart:
Reële inkomen: De koopkracht van het inkomen, dit geeft aan hoeveel producten je met het geld kunt kopen.
Nominale inkomen: Het inkomen uitgedrukt in een geldeenheid.
Indexcijfer reëel inkomen = indexcijfer nominaal inkomen : consumentenprijsindexcijfer x 100
Welvaart: De mate waarin je je kunt voorzien in je behoeften.
Welvaart in ruime zin: De mate waarin mensen zich kunnen voorzien in hun behoeften
Welvaart in enge zin: de koopkracht van het gemiddelde inkomen per inwoner.
Welzijn: De mate waarin je je gelukkig voelt.
Schaarste: Te weinig producten vergeleken met de vraag. Hoe schaarser een product, hoe hoger de prijs.
1.2 Schaarste en kiezen:
Prioriteiten stellen: Keuzes maken, dit moet wanneer je behoeften groten zijn dan je middelen.Alternatief aanwendbaar: Productiemiddelen zijn op meerdere manieren in te zetten.
Opofferingskosten: de opbrengsten van het beste, niet gekozen, alternatief.
Budgetlijn: Een lijn met alle denkbeeldige productcombinaties die je bij de gegeven prijzen en een gegeven budget kunt kopen.
1.3 Arbeidsverdeling, welvaart en ruil:
Arbeidsverdeling: Het verdelen van de verschillende taken over personen en bedrijven, hierdoor kan de arbeidsproductiviteit toenemen. Arbeidsverdeling en specialisatie leiden in het algemeen tot kostenvoordelen.
Arbeidsproductiviteit: de productie per werkende per tijdseenheid.
Transactie kosten: De bijkomende kosten bij de aankoop of verkoop van een product, buiten de prijs van het product zelf om. Voorbeelden zijn zoektijd, reiskosten of transportkosten.
1.4 Ruilen en geld:
Directe ruil: Ook wel ruil in natura genoemd, men ruilt goederen tegen goederen.
Indirecte ruil: Geld wordt gebruikt als ruilmiddel/
Chartaal geld: Munten en biljetten in handen van het publiek.
Giraal geld: Het geld op betaalrekeningen en direct opvraagbare spaarrekeningen bij de bank in handen van het publiek.
De maatschappelijke geldhoeveelheid: Chartaal en giraal geld samen.
Monetaire financiële instellingen (mfi’s): Bestaat uit banken en de Rijksoverheid.
Functies van geld:
Ruilfunctie: Geld vergemakkelijk de ruil van/met producten.
Rekenfunctie: Geld wordt gebruikt om de waarde van producten met elkaar te vergelijken.Oppotfunctie: Je kunt je geld oppotten, er tijdelijk niks mee doen. Je bewaart je geld in een kluis, je portemonnee of op je bankrekening.
- / 1