Examen economie Domein D
D1: Vraag en aanbod
Vraagfunctie = onderscheid tussen individueel en collectief, verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid.-Ontstaat door betalingsbereidheid van mensen.-Verloop van vraaglijn is dalen → negatief verband, hoe hoger de prijs hoe minder men wil kopen.-Verschuiving over de vraaglijn → als prijs hoger is kan je aflezen hoeveel er dan gevraagd wordt.
-Verschuiving van de vraaglijn → lijn verschuift naar links of rechts door:
1.Verandering behoefte consument 2.Aantal consumenten is verandert 3.Inkomen is meer of minder geworden 4.Prijs van andere goederen is verandert Aanbodfunctie = onderscheid tussen individueel en collectief, verband tussen prijs en aangeboden hoeveelheid.-Valt samen met MK-functie en snijpunt van GVK-functie (individuele functie)
-Verschuiving van aanbodlijn:
1.Kostenontwikkeling (lijn naar links) 2.Aantal aanbieders (bij meer naar rechts, minder naar links) 3.Technische ontwikkeling (lijn naar rechts) 4.Overheidssubsidies of heffing (naar links of rechts)
Segmentelasticiteit is basis voor alle soorten:
-Segmentelasticiteit= %veranderinggevolg(G) %veranderingoorzaak(O) →
ΔG/G×100%
ΔO/O×100%
De soorten prijselasticiteit:
1.Prijselasticiteit (Ev), hoe gevraagde hoeveelheid verandert als prijs verandert.-Ev= %veranderinghoeveelheid %veranderingprijs -Prijselasticiteit is een negatief getal (negatief verband) -Stijging prijs zorgt voor daling van hoeveelheid -Daling prijs zorgt voor stijging hoeveelheid -Ev > 1 of <-1 → prijselastische situatie -Ev tussen 1 of -1 → prijsinelastische situatie Elastische prijselasticiteit → bij prijsstijging dalen totale uitgaven voor dit
product: sterk op prijs reageren.
Inelastische prijselasticiteit → bij prijsstijging stijgen totale uitgaven voor dit product: zwakke reactie op prijsverandering. 1 / 4
2.Kruislingse prijselasticiteit (Ek), hoe gevraagde hoeveelheid van goed verandert als prijs van ander goed verandert.-Ek= %veranderinghoeveelheidgoed1 %veranderingprijsgoed2 -Goederen reageren verschillend op elkaar → substitutie goederen of complementaire goederen -Positieve kruislingse elasticiteit → substitutiegoederen -Negatieve kruislingse prijselasticiteit → complementaire goederen Inelastische producten -1 < Ek < 0 1.Noodzakelijke goederen 2.Complementaire goederen Elastische producten Ek < -1 1.Luxegoederen 2.Substitutie goederen 3.Inkomenselasticiteit (Ey), hoe gevraagde hoeveelheid verandert als inkomen verandert.-Ey= %veranderinghoeveelheid %veranderinginkomen
-Verschillende typen goederen reageren anders op inkomensverandering:
1.Primaire goederen → Ey tussen 0 < E < 1 (hoger inkomen, meer vraag) 2.Inferieure goederen → Ey < 0 (hoger inkomen, minder vraag) 3.Luxegoederen → Ey > 1 (hoger inkomen, meer vraag) Drempelinkomen = pas vanaf een bepaald inkomen is er vraag Verzadigingsinkomen = vanaf een bepaald inkomen ga je niet meer van dit product kopen, je bent dan verzadigd Subsidie = financiële tegemoetkoming die het aanbod stimuleert Heffing = boete/ financiële ontmoediging die het aanbod afremt -Zowel heffing als subsidie doen wat met de aanbodfunctie → vraag verandert niet.
-Gevolg: ontstaan nieuw evenwicht met nieuwe evenwichtshoeveelheid en prijs
Indirecte heffing/accijns → aanbod van goed neemt af, kosten voor aanbieden van goed nemen toe.-Aanbod naar links -Hogere evenwichtsprijs en lagere evenwichtshoeveelheid -Producentensurplus neem af + consumentensurplus neemt af → producent krijgt hogere kosten en consument moet meer gaan betalen.-Overheid krijgt wel wat meer inkomsten maar minder dan totale surplus afname → welvaartsverlies Indirecte subsidies → aanbod van goed neemt toe, kosten voor aanbieden nemen ad. 2 / 4
-Aanbod naar rechts -Lagere evenwichtsprijs en hogere evenwichtshoeveelheid
Manier voor algebraïsch veranderen aanbodfunctie na heffing:
1.Qa = P - 10 → prijs is 15eu en heffing is 5eu.-Aanbieders ontvangen ipv 15 nu 10 want 5 gaat naar de overheid.-Qa = (P - invoerheffing) - 10 -Qa = (P - 5) - 10 -dus Qa = P - 15 → stel Qa = 2P - 10 dan wordt het Qa = 2(P - 5) - 10 wordt Qa = 2P - 20
Manier voor algebraïsch veranderen aanbodfunctie na subsidie:
1.Qa = 2P - 10 → prijs is 15eu en subsidie is 5eu -Aanbieders krijgen 15 + 5 = 20eu per product -Qa = 2(P + subsidie) -10 -Qa = 2P + 10 - 10 -dus Qa = 2P
Doelstelling van een bedrijf bij bepalen van productieomvang:
1.Maximale omzet → MO = 0 2.Geen winst en geen verlies → TO = TK of GO = GTK 3.Maximale winst → MO = MK -MO is eerste afgeleide van TO -MK is eerste afgeleide van TK MK = GVK = constant P = GO = MO = constant LET OP → wanneer je de prijs bij een MO=MK lijn wil weten ga je omhoog naar de GO lijn en niet de prijs aflezen bij MO.
Invloed van marginale opbrengsten en marginale kosten op de maximale winst:
-MK = extra kosten als men de productie met één uitbreidt -MO = extra opbrengst als men de productie met één uitbreidt -Invloed is dus wanneer er meer geproduceerd gaat worden dan nemen de MK en MO toe aangezien je meer kosten en ook meer opbrengst krijgt.Marktmechanisme = prijs of markt zorgt altijd voor een evenwicht tussen vraag en aanbod.-Bijvoorbeeld bij een hoge prijs wordt vraag geremd maar productie wordt gestimuleerd waardoor er weer evenwicht komt tussen vraag en aanbod.-Als vraag groter is dan aanbod dan zal prijs omhoog gaan en evenwicht ontstaan.
D2: marktstructuur
Marktvorm Volkomen concurrentie Monopolistisc he concurrentie Oligopolie Monopolie Aantal aanbieders Veel Veel Weinig één 3 / 4
Soort product (homogeen of heterogeen) Homogeen Heterogeen Homogeen of heterogeen uniek Doorzichtighei d van de markt Goed transparant Slecht transparant Homogeen = goed transparant Heterogeen = slecht transparant Goed transparant Toetreding mogelijkheden Makkelijk want veel aanbieders Makkelijk want veel aanbieders Moeilijk, toetredingsbarri ères::
- Octrooien
- Verzonken
- Schaal-
kosten
voordelen Moeilijk toetredingsbarri
ères:
- Octrooien
- Verzonken
- Schaal-
kosten
voordelen Invloed van individuele aanbieder op prijs Geen, homogene producten dus het goedkoopste kopen Beperkt, producten verschillen iets van elkaar Bij concurrentie = beperkt invloed Bij samenwerking= veel invloed (kartelvorming) Veel
D3: welvaart en economische politiek
Consumentensurplus = verschil tussen het bedrag dat een consument of consumenten willen betalen en de te betalen prijs (marktprijs). Over het algemeen zullen rijk mensen een groter consumentensurplus hebben dan arme mensen omdat zij bereid zijn meer te betalen.-Verschil dus tussen marktprijs en betalingsbereidheid van vragers.Producentensurplus = verschil tussen de ontvangen prijs (marktprijs) en de minimale prijs waartegen een bedrijf of bedrijven het product willen aanbieden. Zolang een bedrijf voor zijn product een hogere prijs ontvangt dan zijn marginale kosten, dan heeft hij een surplus. Deel vak TCK terug verdienen.-Verschil dus tussen marktprijs en prijs waartegen alle producenten bereid zijn aan te bieden.
- / 4