~Samenvatting biologie CCVB voortentamen~ Deze samenvatting bevat veel begrippen die je moet kennen voor het voortentamen. Zelf heb ik het met deze samenvatting de eerste keer meteen gehaald, zonder extra tentamentraining etc.Het is veel informatie, maar het is niet al te moeilijk. Het is van belang dat je minstens 2 maanden voor het tentamen begint met leren. Ik raad je aan om deze samenvatting een keer te lezen en dan te oefenen met oefententamens, deze kan je vinden op ccvx.nl en examenblad.nl. Zodra je iets niet begrijpt kan je dit weer opzoeken in de samenvatting. Ik geloof dat alle onderwerpen die je moet kennen worden behandeld in deze samenvatting, sommige onderwerpen, zoals DNA, worden ook meerdere keren herhaald zodat je deze niet kan vergeten. De hoofdstukken zijn blauw gearceerd. Het is vooral belangrijk om te oefenen en de begrippen te kennen, als je dit onder die knie hebt lukt het voortentamen je zeker.Succes!De informatie die in mijn samenvatting staat is o.a. afkomstig van: ‘’Samengevat VWO Biologie,
auteur: E.J. van der Schoot’’, bioplek.nl en mrchadd.nl.
Alhoewel ik de samenvatting uitgebreid heb gecontroleerd, ben ik niet aansprakelijk voor eventuele fouten.Het is NIET toegestaan om deze samenvatting te verspreiden of te verkopen aan derden. 1 / 4
Korte begrippenlijst:
Moleculen: Een molecuul is het kleinste stukje van een materiaal dat nog alle
eigenschappen heeft van dat materiaal.Cellen: cel is het kleinste onderdeel van een organisme dat alle genetische informatie van dat organisme bevat.Organen: Een orgaan is, binnen een organisme, een geheel van weefsels met een of meerdere functies ten behoeve van dat organisme.Organismen: Een organisme of levend wezen is een levende, materiële entiteit met een eigen stofwisseling (metabolisme). Zo zijn dieren (en mensen), schimmels, planten, algen en bacteriën organismen. Virussen en prionen worden in het algemeen niet als organismen beschouwd.
Populaties: groep wezens van dezelfde soort in een bepaald gebied.
Ecosystemen: geheel van biotische en abiotische factoren als eenheid.
Receptoren: zijn eiwitten in het celmembraan, het cytoplasma of de celkern, waaraan een specifiek molecuul kan binden.Chemosynthese: is het proces waardoor sommige organismen (voornamelijk bacteriën) koolstofdioxide kunnen assimileren met behulp van chemische energie, dus in afwezigheid van zonlicht en zonder de mogelijkheid van fotosynthese. (producenten doen dit = bacteriën) Fotosynthese (ook: koolstofassimilatie): is een vorm van biosynthese waarbij lichtenergie wordt gebruikt om koolstofdioxide om te zetten in koolhydraten, zoals glucose. Hier komt zuurstof bij vrij. (producenten doen dit, = planten) Peptide: is een molecuul dat bestaat uit een klein aantal aminozuren die met elkaar verbonden zijn door peptidebindingen. Een peptide onderscheidt zich van een eiwit door het geringe aantal aminozuren in het molecuul, maar kan zelf dienen als bouwsteen voor een eiwit. polypeptide = veel aminozuur-keten.
Successie: is een ecologisch proces waarbij een merkbare verandering in de
soortensamenstelling binnen een habitat plaatsvindt.Diffusie: Opnemen van stoffen. Diffusie is het stromen van opgeloste stoffen van een gebied van een hoge concentratie opgeloste stoffen naar een gebied met een lage concentratie opgeloste stoffen.
Osmose: Water transport. Osmose is diffusie van water (door een semi-permeabel
membraan). Bij osmose stroomt het water van een gebied met een lage concentratie opgeloste stoffen naar een gebied met een hoge concentratie opgeloste stoffen. 2 / 4
Assimilatie: Opbouw van moleculen uit kleinere moleculen. Plant gebruikt zonne energie om uit water en CO2 voedingsstoffen (glucose) te bouwen.
Dissimilatie: Afbreken van moleculen, hierbij komt ATP (energie) vrij.
Exocytose: Uit de cel gebracht stoffen.
Endocytose: Opnemen stoffen in cel.
Aërobe: met zuurstof. -> glucose verbranden bijv. (levert meer ATP op)
Anaerobe: zonder zuurstof (gisting, melkzuur etc-verzuring spieren, levert weinig ATP) Epigenetica: DNA veranderd niet, maar wat tot expressie komt wel. Fenotype wordt beïnvloed door activatie van X-chromosomen, DNA verandert niet.DNA-methylering: is een van de manieren waarop genen zich "uit" kunnen schakelen en transcriptie kan worden geblokkeerd.Celdifferentiatie: is het proces waarbij een cel van het ene celtype naar het andere verandert. Meestal verandert de cel in een meer gespecialiseerd type.Groenbemesting: het toevoegen van voedingsstoffen aan de bodem door middel van een gewas. Klaver is een groenbemesting die met behulp van wortelknolletjes door de plant opneembaar stikstof toevoegt aan de bodem. Boeren planten deze groenbemesters en ploegen deze na de groeiperiode om, zodat de in de knolletjes gebonden stikstof in de bodem komt en ter beschikking aan de voedingsgewassen. Dus geen stikstof komt vrij.Mitose: gewone celdeling. Mitose vindt plaats in alle cellen van het lichaam. Hierbij wordt één diploïde cel (met 46 chromosomen) vermenigvuldigd tot twee identieke diploïde cellen.Mitose vindt plaats in het lichaam voor de groei van het organisme, de vervanging van afgestorven cellen in het organisme en voor het herstellen van beschadigd weefsel. De mitose bestaat uit vier verschillende fasen.Meiose: Meiose wordt ook wel de reductiedeling genoemd. Dit is omdat tijdens de meiose de hoeveelheid chromosomen in de cellen gehalveerd wordt.Bouw van de cel De cel is de kleinste bouwsteen van het lichaam en tegelijk de kleinste functionele stofwisselingseenheid van het lichaam.De cel bevat cytoplasma en wordt omgeven door de celmembraan. Het cytoplasma bestaat uit een waterige substantie (cytosol) met daarin veel opgeloste stoffen. In het cytoplasma
bevinden zich organellen: structuren met een specifieke bouw en functie.
De uiterst dunne celmembraan bestaat uit een dubbele laag fosfolipiden en is vloeibaar en waterafstotend. 3 / 4
Belangrijke structuren in de celmembraan zijn:
●cholesterolmoleculen; ●membraanporiën; ●receptoreiwitten; ●glycocalyx.Water en gassen passeren de celmembraan op basis van concentratieverschillen. Dat is passief transport: de cel speelt er geen actieve rol bij en dit transportproces kost de cel geen energie.De meeste stoffen die een cel opneemt of afgeeft worden actief getransporteerd. Actief transport kost de cel energie in de vorm van verbruik van ATP. Actieve transportmechanismen zijn enzymatische pomp, ionenpomp en blaasjestransport.
De belangrijkste organellen zijn:
●nucleus (celkern); bevat DNA met erfelijke eigenschappen en met informatie voor de eiwitsynthese in de cel;
●ribosomen: eiwitsynthese in de cel;
●endoplasmatisch reticulum: transport van eiwitten en aanmaak van vetten;
●golgicomplex: aanmaak en transport van veel verschillende soorten stoffen;
●lysosomen: afbraak van (schadelijke) stoffen;
●mitochondriën: celademhaling en vorming van ATP;
●centrosoom: celdeling.
In de mitochondriën vindt de verbranding van glucose en vet plaats. Bij verbranding (met zuurstof) komt energie vrij. Die energie wordt opgeslagen in een molecuul wat we ATP noemen. Dit molecuul verlaat het mitochondrium naar het cytoplasma. In het cytoplasma kan het ATP zich verplaatsen naar de plaats waar energie nodig is. Het ATP geeft de energie af en wordt ADP. Het ADP molecuul gaat terug naar een mitochondrium om opnieuw te worden opgeladen. De energie wordt gebruikt bij de celmembraan om stoffen door te voeren en bij de processen in de cel onderdelen die we nog behandelen.Insuline is een hormoon dat wordt geproduceerd in de beta-cellen van de eilandjes van Langerhans. De beta-cellen zijn zogenaamde endocriene kliercellen. Endocriene kliercellen geven hun producten af aan de bloedbaan. Dit in tegenstelling tot exocriene kliercellen die een afvoerbuis hebben en hun product afgeven aan een holte in het lichaam.De levenscyclus van de cel De levenscyclus van de cel bestaat uit drie fasen: delingsfase, groeifase en functionele fase.In de delingsfase vindt mitose plaats: uit een moedercel ontstaan twee identieke dochtercellen.De mitose verloopt in meerdere fasen. Hierbij worden de chromosomen eerst verdubbeld, zodat na de splitsing de beide dochtercellen weer het juiste aantal chromosomen (46 = 23 paar) krijgen.In de groeifase krijgt de cel de afmeting en de samenstelling van de cel waaruit zij door deling is ontstaan.
- / 4