• wonderlic tests
  • EXAM REVIEW
  • NCCCO Examination
  • Summary
  • Class notes
  • QUESTIONS & ANSWERS
  • NCLEX EXAM
  • Exam (elaborations)
  • Study guide
  • Latest nclex materials
  • HESI EXAMS
  • EXAMS AND CERTIFICATIONS
  • HESI ENTRANCE EXAM
  • ATI EXAM
  • NR AND NUR Exams
  • Gizmos
  • PORTAGE LEARNING
  • Ihuman Case Study
  • LETRS
  • NURS EXAM
  • NSG Exam
  • Testbanks
  • Vsim
  • Latest WGU
  • AQA PAPERS AND MARK SCHEME
  • DMV
  • WGU EXAM
  • exam bundles
  • Study Material
  • Study Notes
  • Test Prep

GEO - Systeem aarde - toetsweek 1 hoofdstuk 1 tm 4

Class notes Dec 26, 2025 ★★★★★ (5.0/5)
Loading...

Loading document viewer...

Page 0 of 0

Document Text

GEO - Systeem aarde - toetsweek 1 – hoofdstuk 1 t/m 4 – 1.1 Zonnestelsel  8 planeten die om de zon draaien  4 binnenste van aarde, 4 buitenste van gas.Geologische tijdschaal  indeling ouderdom aarde  relatieve tijdschaal: op basis van kenmerken van planten dieren (gidsfossielen) of op basis van karakteristiek gesteente.Pas later kon men de ouderdom van het geologisch materiaal precies bepalen door radioactief verval van gesteente.Aarde bestaat uit  kern  vast door hogedruk, ondanks hoge temperatuur van 4700 graden. mantel  binnen- (vaste stof) en buitenmantel (plastisch). aardkorst  oceanische en continentale korst.Aarde bestaat uit sferen: Lithosfeer: aardkorst + buitenste laag van de mantel.Continentale korst van graniet (licht) en een oceanische korst van basalt (zwaar).

Asthenosfeer: buitenmantel.

1.2 Catastrofetheorie maakte plaats voor het actualiteitsbeginsel: hoe natuurverschijnselen in het heden zijn, zo waren zij in het verleden ook.Wegener  continental drift (aardplaten drijven op magma) + ooit een supercontinent  Pangea.Oceanen groeien vanuit het midden  divergente plaatbeweging  ontstaan van een mid-oceanische rug. Zijkanten van oceanen  subductiezones.

1.3 Platen kunnen bewegen door convectiestroming: magma wordt warm, stijgt op, koelt hoe dichter het bij het aardoppervlak komt af, soortelijke massa neemt toe en daalt op een ander punt weer.

Soorten plaatbewegingen:

  • Divergent  (vaak) beweging van twee oceanische platen uit elkaar  ontstaan mid-oceanische
  • ruggen.

  • Convergent  beweging van twee platen naar elkaar toe.
  • Oceanische en continentale plaat  subductiezone: zware oceanische plaat van
  • basalt beweegt onder de lichte continentale plaat van graniet  diepzeetrog Doordat de oceanische plaat onder de continentale plaat beweegt kan er graniet in de magmahaard komen  explosief vulkanisme.

  • Twee continentale platen  plooiingsgebergten zoals het Himalaya gebergte.
  • Twee oceanische platen  een diepzeetrog met daarachter een eilandboog.
  • Transform  beweging van platen langs elkaar  er kunnen ongelijkheden in het landschap ontstaan
  •  hoger gelegen gebied: horst, lager gelegen gebied: slenk.

    1.4 Zodra het magma aan het aardoppervlak komt  lava. Hoe dieper de magmahaard, hoe groter de druk, hoe heviger de uitbarsting.Hotspot: vulkaan die ver van plaatranden af ligt  ontstaat door opstijgend magma dat door de lithosfeer dringt  er ontstaat vaak een rij hotspot vulkanen omdat de aardplaten over de magmahaarden heen bewegen.Effusief vulkanismeExplosief vulkanisme

  • schildvulkaan  ligt gebogen oppervlak- stratovulkaan  taai vloeibaar magma  menging
  • graniet en basalt + hoge “berg” boven landoppervlak.

  • spleetvulkaan- caldeira vulkaan  dak van de magmahaard is
  • door een grote explosie ingestort.Hypocentrum: plaats waar aardbeving begint, epicentrum: plaats recht boven het hypocentrum aan het aardoppervlak.Schaal van Richter: wordt de zwaarte van een aardbeving mee gemeten. Elk punt hoger op de school betekent een tien keer zo grote hoeveelheid energie.Tsunami: extreem hoge golven die ontstaan door aardbevingen in de oceanische korst. Voorzijde golf wordt afgeremd bij nadering van de kust  teruglopen water. Hoe verder aan de kust hoe hoger de golven  worden door ondieper wordend water omhoog gedrukt. 1 / 2

2.1 Aarde is opgebouwd uit 4 sferen: hydrosfeer (water), atmosfeer (lucht), lithosfeer (vast gesteente) & biosfeer (het leven).

Gesteente kringloop:

Hydrologische kringloop: door de warmte verdampt water van de oceanen  waterdamp gaat met de wind mee omhoog  afkoeling  condensatie  wolken  blijven boven oceaan of waaien naar land  neerslag  infiltreert in de bodem, verdampt of stroomt af  bovengronds en ondergronds via rivieren naar de zee. Uit de huidmondjes van planten verdampt water (transpiratie) en het oppervlaktewater op het land kan verdampen (evaporatie).

2.2 Exogeen proces: invloeden op de aardkorst van buitenaf.

Endogeen proces: invloeden op de aardkorst van binnenuit de aarde.

Verwering: het uiteenvallen van gesteente onder invloed van het weer en planten, 2 soorten:

  • Mechanische verwering/fysische verwering: gesteente valt uiteen zonder dat de samenstelling van
  • het gesteente verandert.

  • Vorstverwering: water dat in spleten van een gesteente is gezakt bevriest. Door
  • uiteenzetting door bevriezing worden de spleten groter  afbrokkeling.

  • Warmte verwering: groot temp. verschil zorgt voor uitzetten en krimpen van gesteente.
  • Plantenwortels.
  • Chemische verwering: samenstelling van gesteente verandert (kan door zure regen).

Aantal factoren is van invloed op verwering:

  • Klimaat: mechanische/fysische verwering  koud klimaat, chemische verwering nat en warm
  • klimaat.

  • Aard van moedergesteente: hoe harder het gesteente, hoe langer de verwering duurt.
  • Aanwezigheid bedekkende bodemlaag  chemische en fysische verwering verlopen sneller omdat
  • mossen en grassen water kunnen vasthouden waardoor de aanwezigheid van bacteriën bevorderd.

  • Tijd  hoe langer gesteente aan verwering wordt blootgesteld, hoe meer het wordt afgebroken.
  • Massabeweging  verweringsmateriaal dat door de zwaartekracht wordt verplaats, 3 factoren:

  • Aard van het materiaal  rond materiaal verplaatst zich makkelijker dan vierkant materiaal.
  • Steilheid van de helling  hoe steiler, hoe gemakkelijker het materiaal naar beneden komt.
  • Mate van verzadiging met water  (vaak) hoe natter het materiaal, hoe gemakkelijker het beweegt.

Erosie: uitschurende werking van met puin beladen water, ijs of wind.

2.3 stroomgebied: het hele gebied dat afwatert op een bepaalt gebied.

Rivier bestaat uit drie zones:

  • Bovenloop  erosie, hoge stroomsnelheid.
  • Middenloop  transport.
  • Benedenloop  sedimentatie, lage stroomsnelheid.
  • Bij overgang van nauwe bergvalleien naar bredere rivieren  puinwaaier. Buitenbochten  erosie (door relatief hoge stroomsnelheid), binnenbochten sedimentatie.De rivier komt uiteindelijk in de zee uit  deltakust door sedimentatie.Twee soorten gletsjers: Alpiene of dalgletsjers  in Oostenrijk/Zwitserland  maken van een V-vormig dal een U-vormig dal en de grootste gletsjers  de uitlopers van het landijs  Antarctica.Sediment (zand, grind) Samendrukking van bovenliggende aardlagen Hitte & druk Smelten Metamorf gesteente (marmer & leisteen) Sedimentgesteente (zandsteen & kalksteen) (gelaagdheid).Stollingsgesteente (basalt & graniet) Verwering & erosie

  • / 2

User Reviews

★★★★★ (5.0/5 based on 1 reviews)
Login to Review
S
Student
May 21, 2025
★★★★★

This document featured in-depth analysis that helped me ace my presentation. Such an superb resource!

Download Document

Buy This Document

$1.00 One-time purchase
Buy Now
  • Full access to this document
  • Download anytime
  • No expiration

Document Information

Category: Class notes
Added: Dec 26, 2025
Description:

GEO - Systeem aarde - toetsweek 1 – hoofdstuk 1 t/m 4 – 1.1 Zonnestelsel  8 planeten die om de zon draaien  4 binnenste van aarde, 4 buitenste van gas. Geologische tijdschaal  indeling...

Unlock Now
$ 1.00