Diagnostiek bij kinderen, jongeren & gezinnen Een theoretisch kader voor de praktijk (H1, H2, H3, H4 & H6) 1 / 4
Hoofdstuk 1. De empirische cyclus als formeel model van diagnostisch handelen 1.1Een inleiding Een goede hulpverlening vereist kwaliteitsvolle diagnostiek omdat elke hulpverlener het risico loopt om de vragen en de problemen van cliënten te veel te benaderen vanuit zijn of haar eigen referentiekader.
1.2De empirische cyclus als basis van formele modellen van diagnostisch handelen Volgens de logica van de empirisch cyclus dient het diagnostisch proces opgevat te worden als een wetenschappelijk onderzoek.Een onderzoeker wordt geconfronteerd met een onduidelijkheid in een theorie, formuleert hierover een hypothese, toetst de hypothese, en besluit dan of de getoetste hypothese weerhouden of verworpen dient te worden.In dezelfde lijn legt de empirische cyclus (De Groot) de diagnostische cyclus de volgende stappen op
Observatie: de empirische cyclus vereist dat de diagnosticus eerst
informatie verzameld over de probleemsituatie en de sterktes van de cliënt/cliëntsysteem. Het kunnen verzamelen van deze informatie vergt goede gespreks- en observatievaardigheden.
Inductie: bij het formuleren van hypothesen is het essentieel om
een goede theoretische bagage te hebben over de factoren en de mechanismen die het menselijk gedrag en de menselijke interacties bepalen.
Deductie: zodra de hypothesen geschetst zijn, dient de diagnosticus deze
hypothesen te toetsen. Hiervoor zijn twee zaken essentieel:
1.Het gebruiken van een adequate strategie om die hypothesen te toetsen Dit betreft de keuze van de instrumenten en informaten 2.Het gebruiken van toetsingscriteria Er wordt gepleit om verschillende instrumenten te gebruiken (= multimethode onderzoek). Hiermee is het mogelijk om te kijken naar convergentie (en divergentie) tussen resultaten van verschillende instrumenten.Toetsing: ook hier spelen de gespreks- en observatievaardigheden een belangrijke rol. De validiteit en betrouwbaarheid van een instrument zijn afhankelijk van de manier waarop de instrumenten worden afgenomen.Evaluatie: nadat alle informatie verzameld is, kan de diagnosticus per hypothese kijken of de informatie de hypothese bevestigt of weerlegt. 2 / 4
1.3 Verschillen en gelijkenissen tussen verschillende bestaande formele modellen van diagnostisch handelen Het model van de diagnostische cyclus (De Bruyn) en de handelingsgerichte diagnostiek (Pameijer) zijn met de empirische cyclus (De Groot) vergeleken.Ondanks de kleine verschillen tussen de drie modellen is er een overeenkomend fundament. Ze volgen dezelfde logica die uitgewerkt is binnen de empirische cyclus.Empirische cyclus Diagnostische cyclus Handelingsgericht e diagnostiek Principe Logisch- methodologisch redeneren Inhoudelijke ordening van diagnostische vraagstellingen Procesmodel Onderdele n Observatie In kaart brengen van achtergrond informatie Klachtenanalyse In kaart brengen van achtergrondinformatie Intakefase In kaart brengen van achtergrond informatie Inductie Formuleren van hypothesen Probleemanalyse Formuleren van hypothesen Strategiefase Formuleren van hypothesen en omzetten van hypothesen in toetsbare onderzoeksvragen Deductie Omzetten van hypothesen in toetsbare onderzoeksvragen Verklaringsanalyse Omzetten van hypothesen in toetsbare onderzoeksvragen Toetsing en evaluatie Toetsen en evalueren van toetsbare veronderstellingen Toetsen en evalueren van toetsbare veronderstellingen.Opstellen van integratief beeld Onderzoeksfase Toetsen en evalueren van toetsbare veronderstellingen Indiceringsfase Opstellen van integratief beeld Indicatiefase Beantwoorden van indicerende vraagstellingen Beantwoorden van indicerende vraagstellingen AdviesAdviesfase In het model van de diagnostische cyclus (De Bruyn) wordt er een onderscheid
gemaakt tussen verschillende soorten hypothesen:
Onderkenningshypothesen = gericht op het antwoorden van de vraag ‘Wat is er aan de hand?’.Verklaringshypothesen = gericht op het antwoorden van de vraag ‘Waarom is dit aan de hand?’.Indicatiestellingshypothesen = gericht op het antwoorden van de vraag ‘Welke interventie is er nodig?’. 3 / 4
Hoofdstuk 2. Het universele noden model; een theoretisch model als inhoudelijke leidraad tijdens het formuleren van diagnostische hypothesen 2.1 De noodzaak van een theoretisch model als leidraad tijdens het formuleren van hypothesen Elk goed diagnostisch onderzoek vertrekt vanuit een aantal premissen over het gedrag van kinderen, jongeren, ouders en gezinnen. Deze premissen zijn nodig om orde in de chaos van het gedrag van cliënten te kunnen aanbrengen. Zonder deze premissen beoordelen we dit gedrag enkel vanuit onze eigen referentiekaders die soms onvoldoende universeel toepasbaar zijn.De hulpverlener dient hypothesen te formuleren en te toetsen om te begrijpen waarom een bepaald gedrag gesteld wordt. O.b.v. deze inzichten kan de hulpverlener beslissen of er actie moet ondernomen worden of niet. Het stellen van deze hypothesen is echter enkel mogelijk als de hulpverlener een model hanteert ter verklaring van menselijk gedrag dat zijn eigen referentiekader overstijgt. Anders kan de hulpverlener enkel hypothesen formuleren die relevant zijn voor het eigen gedrag.
2.2 Analyse van de diagnostische vraag Vooraleer een hulpverlener kan starten met een diagnostisch onderzoek dient steeds een analyse van de diagnostische vraag uitgevoerd te worden.Algemeen moet er nagevraagd worden wie het onderzoek/hulpverlening wenst en omwille van welke reden.Verder moet ook de hulpverleningsvoorgeschiedenis in kaart worden gebracht. Heel belangrijk is het om te vragen wat de kinderen/jongeren, ouders, gezinnen en hulpverleners al geprobeerd hebben om de problemen te verminderen/op te lossen.Als alle randvoorwaarden om aan een diagnostisch onderzoek te beginnen vervuld zijn, kan de diagnosticus samen met de cliënt in een intakefase beginnen met het verhelderen van de verschillende diagnostische vragen die er bestaan.
2.3 Het universele nodenmodel In dit model worden verschillende factoren die een rol spelen in de ontwikkeling van mensen besproken. Echter, de werkelijkheid is natuurlijk en complex en moeilijk op te splitsen in deze factoren.
2.3.1Een universele noden model?
Het model wordt onderbouwd vanuit een breder psychologisch model: de
zelfdeterminatie theorie (ZDT). Deze theorie beschrijft drie aangeboren, voor alle mensen geldende psychologische noden die beschouwd worden als essentieel om
menselijke motivatie en gedrag te begrijpen:
1.De fundamentele nood om zich verbonden te voelen: het verlangen
hebben om sociale relaties op te bouwen met anderen, zich geliefd en verzorgd te voelen en om zelf liefde en zorg te geven aan anderen.Alle kinderen/jeugdigen willen een goede relatie met ouders, broers/zussen, leeftijdsgenoten, leerkrachten etc.Alle ouders willen een goede relatie met hun kinderen, maar ook met hulpverleners en werkgevers.
- / 4