H2 strafwetgeving
- Over de Nederlandse strafwetgeving
1.1wetboek van 1886 Wetboek van 1886 is het eerste Nederlandse wetboek van Strafrecht.2het strafbare feit 2.1de verbindendheid van wettelijke strafbepalingen Codificatiebeginsel van 107 lid 1 GW geeft aan dat de wet regelt het strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.Voor materieel strafrecht zijn het algemene wetboek van strafrecht, vrij algemene bijzondere wette zoals de WED, WVW, WWM, de belastingwetten en de Opiumwet van groot belang. Terwijl daarnaast in bijzondere afzonderlijke wetten ook nog talloze strafbaarstellingen voorkomen. Alleen de overheid heeft de bevoegdheid om strafbaarstellingen in het leven te roepen.O.g.v. delegatie in een wet in formele zin kunnen algemene maatregelen van bestuur, strafbaarstellingen bevatten. Dit geld ook voor verordeningen van de decentrale overheid. Het gaat hier steeds om overtredingen. Vooral de bevoegdheid van de gemeente leidt tot veel strafbaarstellingen die in de praktijk ook van belang kunnen zijn en die bij elkaar genomen een breed bereik hebben. Namelijk algemeen plaatselijk verordening apv met delicten over huisvuil, hondenpoep etc. maar ook samenscholing en bedelverboden. Worden door gemeenten gedaan.Strafrechter kan slechts aansprakelijk stellen op basis van strafwetgeving die daadwerkelijk van kracht was sten tijde van het plegen van het feit. Vaak geen probleem maar in meer uitzonderlijke gevallen door het toenemen van internationalisering kan de vraag rijzen of de nationale wetten in overeenstemming is met de EU wetgeving of met de grondrechten uit bijv. Het EVRM 2.2definitie van het strafbare feit In art 1 Sr wordt gesproken over een strafbepaling. Daarmee wordt gedoeld op een delictsomschrijving en op een sanctienorm.In de delictsomschrijving wordt beschreven welk gedrag onder welke subjectieve en objectieve omstandigheden tot strafrechtelijk aansprakelijkheid kan leiden.Vereisten uit de delictsomschrijving zijn de bestandsdelen. Als de bestandsdelen zijn vervuld, dan kan in beginsel worden gekwalificeerd onder het in de delictsomschrijving tot uitdrukking gebrachte strafbare feit.In de sanctienorm wordt duidelijk welke sancties aan dat strafbare feit kunnen worden verbonden.Naast de bestandsdelen van het delict zijn er meer voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Er moet bijvoorbeeld nog een vervolgingsrecht zijn. Ook moeten elementen wederrechtelijkheid en schuld worden vervuld.
2.3bijzondere delicten en rechtsgoederen.In titels worden rechtsbelangen, ook wel rechtsgoederen, onder woorden gebracht die strafrechtelijke bescherming verdienen.Bijvoorbeeld misdrijven tegen openbare orde: titel V, tegen leven gericht: titel XIX etc.De huidige waarde van het indelen van delicten in verschillende rubrieken is dat er een wetgeving technisch belang is. Er kan dan worden gewerkt met algemene bepalingen per titel. De titel kan enige richting geven aan de interpretatie van de delictsomschrijving.
2.4 misdrijven en overtredingen Sinds 1886 bestaat de tweedeling in het strafrecht tussen misdrijven en overtredingen.Criterium of een strafbaar feit een misdrijf of overtreding is, is de ernst van het strafbare feit in kwestie. Ernstige strafbare feiten waarbij, vooral, vrijheidsstraf in beeld komt worden aangemerkt als misdrijf. Minder ernstige strafbare feiten waarbij een 1 / 4
geringe vermogensstraf op het spel staat worden als overtreding gezien. Ook de hoofdregel is dat opzet of schuld alleen bij een misdrijf als bestandsdeel zijn opgenomen. Poging tot overtreding is niet strafbaar.
2.5 Krenkings- en gevaarzettingsdelicten Krenkingsdelicten zijn gedragingen die een directe inbreuk maken op een bescherm rechtsgoed zoals het recht op leven of het openbaar gezag. Precies beschreven inbreuken en gedragingen zijn strafbaar, de achterliggende gedachte niet zozeer. Denk aan dood door schuld 307 Sr en diefstal 310 Sr. Het is meer een reactie. Het kwaad is al gebeurd.Gevaarzettingsdelicten is het niet vereist dat de gevaarlijke situatie zich ook daadwerkelijk voordoet. Het is meer preventie.Zoals voorbereidingshandelingen, strafbare samenspanning in de anti-terrorismewetgeving 96 Sr.Je hebt concrete gevaarzettingsdelicten waar het al voldoende is dat een gevaarlijke situatie is geschapen zoals 164 Sr het opzettelijk veroorzaken van gevaar voor spoorwegverkeer.Abstracte gevaarzettingsdelicten verbieden gedragingen die mogelijk tot schending van een rechtsgoed zouden kunnen leiden.Een gedraging wordt strafbaar gesteld die in algemene, niet nader in de delictsomschrijving gespecificeerde zin gevaar kan opleveren. Verheerlijking van terrorisme bijvoorbeeld of onder invloed rijden 8 WVW.Ze werken preventief en handhaven normen meer.
2.6 Formele en materiele delicten
Formele delicten: voor strafbaarheid een bepaalde handeling voldoende is
Materiele delicten: een gevolg staat centraal
Abstracte gevaarzettingsdelicten zijn formeel concrete gevaarzettingsdelicten zijn materieel Bij formeel omschreven delicten gaat het om een bepaalde handeling, en bij materieel omschreven delicten om een bepaald gevolg. Doodslag is een materieel omschreven delict: het maakt niet uit hoe je iemand doodslaat, het gaat erom dat je iemand hebt doodgeslagen om strafbaar te zijn voor doodslag. Als je iemand hebt geslagen maar die is niet dood dan kan je niet voor doodslag worden vervolgd. Diefstal is een formeel omschreven delict, omdat de delictsomschrijving voorschrift dat er moet worden "weggenomen". Voor diefstal is het niet nodig dat de toe-eigening ook lukt. Een mislukte diefstal, waarbij wel is weggenomen, maar waarbij de dief niet met zijn buit is ontkomen, is nog wel een diefstal. In die zin staat de gedraging "wegnemen" centraal, en niet het gevolg dat de rechtmatige eigenaar zijn bezit verliest.
2.7 kwaliteits- en algemene delicten Algemene delicten zijn gericht tegen iedereen. Kwaliteitsdelicten zijn gericht tot bepaalde rechtssubjecten zoals de ouder of stiefouder in de incestbepaling 249 lid 1, degene die in staat van faillissement verkeert of een ambtenaar die een ambtsmisdrijf pleegt.
2.8 commissie- en omissiedelicten Commissiedelicten zijn strafbare feiten die door handelen worden begaan. Iemand doden, iets stelen etc.Omissiedelicten gaan over iets nalaten zoals een dokter die iemand niet helpt of als belastingplichtige moet je bepaalde formulieren inleveren, het nalaten daarvan is een omissiedelict.Omissiedelicten worden ook weer onderscheiden in eigenlijke en oneigenlijke omissiedelicten.Eigenlijke (zuivere) omissiedelicten zijn strafbare feiten waaruit de wettelijke omschrijving van de gedraging blijkt dat het om een omissiedelict gaat. De wetsomschrijving laat weten wie niet mag nalaten en tot wie het delict is gericht. Omissiedelicten zijn dan ook vaak kwaliteitsdelicten <- Bij oneigenlijke (onzuivere) omissiedelicten gaat het naar de wettelijke omschrijving om een commissiedelict dat toch ook door een nalaten kan worden begaan. Bijvoorbeeld ouders die hun kind de noodzakelijke zorg onthouden waardoor die dood gaat.Dat kan het commissiedelict doodslag – van het leven beroven – opleveren dat dan door nalaten is begaan. Bij oneigenlijke omissiedelicten kan de vraag naar de normadressaat rijzen: wie kan een commissiedelict door nietsdoen begaan.Bijvoorbeeld een meisje dat door de vriend van haar moeder dodelijk was mishandeld. De moeder werd vervolgd voor medeplichtigheid aan dat delict door opzettelijk gelegenheid te geven door met dat opzet in de woning aanwzig te zijn en die vriend zonder noemswaardige tegenstand (daden en/of woorden) zijn gang laten te gaan. De vrouw had dus door helemaal niets te doen het misdrijf opzettelijk bevordert. 2 / 4
Het verschil tussen commissie en omissiedelicten is van belang voor wetgevingstechniek.
2.9 Doleuze en culpoze delicten en strafbepalingen zonder subjectief bestanddeel Doleuze delicten (gewone verschijningsvorm van misdrijf) is een opzetvereiste in de delictsomschrijving te vinden.Culpoze delicten is een schuldvereiste in de delictsomschrijving.Hoofdregel is dat bij misdrijven opzet of schuld als bestanddeel wordt vereist.
2.10 gekwalificeerde en geprivilegieerde delicten Gekwalificeerde delicten zijn met zwaardere straffen bedreigd dan de grondvorm van die delicten omdat het strafbare feit gepleegd is onder bijzondere omstandigheden zoals met voorbedachte raad en omdat er ernstige gevolgen zijn ingetreden. Een voorbeeld is het terroristische oogmerk. Het gaat om strafverzwarende bestanddelen (want zonder die bijzondere omstandigheden was er ook straf).de wettelijke strafverzwaringsgronden worden onderscheiden in die van objectieve of subjectieve aard.Objectieve gronden staat het feit voorop. 311 Sr (verzwarende gronden van diefstal) Vaak leiden bepaalde gevolgen (dood, letsel, schade) tot wettelijke strafverzwaring. Bij deze door het gevolg gekwalificeerde delicten is het gevolg meestal aan het schuldverband onttrokken. Opzet of schuld op dit gevolg hoeft dan niet worden vastgesteld, alleen de causaliteit.Subjectieve strafverzwaringsgronden houden verband met de persoon van de dader. Het kan daarbij gaan om een functie of hoedanigheid of om een zeker verband met de gemoedsgesteldheid zoals voorbedachte raad en terroristisch oogmerk of roekeloosheid.Geprivilegieerde delicten hebben ten opzichte van het strafdelict lagere maximumstraf zoals kindermoord en- doodslag of het te vondeling leggen onder bijzondere verzachtende omstandigheden. Of euthanasie.
2.11 aflopende en voortdurende delicten Meeste strafbare feiten lopen na een tijdje af. Dat zijn aflopende delicten Sommige delicten zijn –naast de wettelijke omschrijving- als voortdurende delicten vormgegeven. Men spreekt ook wel van strafbaarstelling van een verboden toestand.
2.12 klachtdelicten 2.13 terroristische misdrijven Terroristische misdrijven kunnen in een aparte categorie worden onderscheiden met het inwerkingtreden van de wet terroristische misdrijven in 2004.Bepalend is dat er is gehandeld met een bijzonder opzetvereiste: het terroristische oogmerk. Dat is volgens 83a Sr het oogmerk om de bevolking ernstige vrees aan te jagen dan wel een overheid of organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen niet te doen of te dulden of de politieke structuren van een land ontwrichten.
2.14 commune delicten en delicten uit bijzondere strafwetgeving Belangrijk verschil voor de wetgever is het verschil tussen commuun en bijzonder strafrecht. Commuun is gewoon normaal wetboek en de rest is bijzonder.
- het legaliteitsbeginsel
3.1 plaatsbepaling geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. Strafrecht artikel 1 lid 1. Deze rechtsregel verwoordt het legaliteitsbeginsel. Dit is voor materiele strafrecht van kracht. In artikel 16 grondwet wordt hetzelfde gezegd. Zowel de strafbaarstelling als de op te leggen straf moeten ten tijde van het plegen van een feit in de wet zijn opgenomen. Het legaliteitsbeginsel (in het strafrecht ook bekend als het nulla poena-beginsel) houdt in dat overheidshandelen gebaseerd moet zijn op een vooraf aanwezige wettelijke bepaling. Het voorkomt dat de wetgever met terugwerkende kracht regels kan opleggen. Dus voor strafrechtelijke aansprakelijkheid moet in eerste plaats wettelijke basis vereist zijn en ten tweede terugwerkende kracht van strafbaarstelling is niet geoorloofd. 3 / 4
3.2 verbod van terugwerkende kracht Verbod van terugwerkende kracht is voor zowel de wetgever als voor de strafrechter een fundamentele consequentie van het legaliteitsbeginsel. De Hoge Raad benadrukt dat artikel 16 GW en artikel 1 lid 1 Sr een ongeclausuleerd verbod bevatten.Verbod van terugwerkende kracht slaat erop dat de strafwetgeving geen terugwerkende kracht mag hebben voor zover dit ten nadeel is van de verdachte. Voordeel mag wel. Art 1 lid 2 Sr.Door dit verbod van terugwerkende kracht is slechts strafbaar wat is strafbaar gesteld.Voor de beoordeling van terugwerkende kracht door de strafrechter is een ijkpunt nodig. Dat is meestal het tijdstip van het begaan van het strafbare punt. Voor dit ijkpunt moet de wettelijke basis zijn gelegd voor strafrechtelijke aansprakelijkheidsstelling.Vaak is het gemakkelijk om vast te stellen wanneer een feit is begaan maar bij minder fysieke daderschapsconstructies is het lastiger. Vanuit het legaliteitsbeginsel gedacht moet het daderschap na het van kracht worden van de wettelijke regeling kunnen worden geplaatst (dat geldt dus bijvoorbeeld voor zowel het gedrag als het gevolg).Op welke onderdelen van de strafwetgeving heeft het verbod van terugwerkende kracht betrekking? Nieuwe strafbaarstellingen en veranderingen in bijvoorbeeld delictsomschrijvingen (tenzij deze veranderingen tot een beperking (voordeel) van de aansprakelijkheid leiden) mogen in ieder geval niet op al gepleegde feiten van toepassing worden verklaard.Zelfde geldt voor verandering in wettelijke regeling van een algemeen leerstuk die tot een uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid leidt.Wijzigingen in de jurisprudentie verdienen aparte aandacht. Vaak komt het voor dat na het plegen van een strafbaar feit, maar voor de berechting, een verruimende interpretatie van de delictsomschrijving in de rechtspraak wordt aanvaard en als het ware direct ingaat en wordt toegepast. Dit levert een aanvaardbaar geachte relativering van het verbod van terugwerkende kracht op.Verbod van terugwerkende kracht geldt ook voor niet zonder meer voor andere regels over strafrechtelijke aansprakelijkheid dan strafbaarstellingen en strafbedreigingen.een verjaringstermijn mag in nederland met terugwerkende kracht worden verleng (ingevoerd door oorlogsmisdrijven uit 2 e
wereldoorlog) 3.3 gebod van toegankelijke en vooral van scherpe normen Legaliteitsbeginsel vereist niet alleen tijdig ingevoerde delictsnormbeschrijvingen en sanctienormen. De rechtszekerheid voor de verdachte vereist ook om goed toegankelijke en vooral om precies geformuleerde wetgeving. Pas dan kunnen rechtssubjecten immers goed van te voren de balans opmaken van de voor- en nadelen van hun voorgenomen gedragingen.Duidelijke en dus ook beperkte delictsomschrijvingen bakenen ook de processuele bevoegdheden van de overheid af en kan willekeur of te ruim gebruik van dwangmiddelen worden tegengegaan.Het Hof heeft hier enkele eisen gesteld die in context van het EVRM bijzonder gewicht hebben omdat ‘law’ ook ongeschreven recht omvat.Goede publicatie (goede toegankelijkheid van het recht) Forseeability (voorzienbaarheidsvereiste). Dat gaat om het klassieke uit het legaliteitsbeginsel voortvloeiende wens naar scherpe normen te formuleren. (lex certa) 3.4 grenzen aan de interpretatievrijheid van de strafrechter Legaliteitsbeginsel brengt voor de strafrechter niet alleen mee dat hij de tijdige en adequate wettelijke basis voor aansprakelijkheidsstelling moet onderzoeken. Het stelt ook grenzen aan zijn vrijheid bij de interpretatie van delictsbestanddelen, andere aansprakelijkheidsvoorwaarden en sanctienormen. De strafrechter wordt vooral bij bestanddelen regelmatig voor interpretatievragen geplaatst.In klassieke zin vloeit uit het legaliteitsbeginsel een verbod op analogische interpretatie voor. (Analogisch redeneren is het toepassen van een wetsbepaling op een geval waarvoor zij niet is geschreven)
- / 4