H3- tijd van monniken en ridders
3.1: leenheren, leenmannen en horigen
Kenmerkende aspecten:
10: de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.
11: het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.
Germaanse volkeren die het Romeinse rijk waren binnengedrongen, werden aangevoerd door krijgsheren: legeraanvoerder die zijn militaire gezag gebruikt om ook politieke macht uit te oefenen. Toen de Germaanse volken binnen het Romeinse rijk staten gingen vormen werd het koningschap erfelijk binnen één familie. -> als de koning dood ging werd de macht verdeelt onder al zijn zonen. Dit leidde vaak tot onderlinge strijd Karel de Grote was koning van de Franken en zijn rijk besloeg grote delen van West-Europa.In 800 werd hij tot keizer bekroond door de Paus.Germaanse koningen omringden zich met verzallen: aanvankelijk iemand die deel uitmaakte van het gevolg van een vorst en zich door een eed van trouw aan hem had verbonden. Later min of meer een synoniem voor leenman. De koning beloonde hen door buit met hen te delen. De Frankische hofmeier: beheerder van de domeinen van de koning, beloonde zijn verzallen met landgoederen. De vazal had die grond dan te leen: gebied of ambt dat een leenman van de leenheer in gebruik krijgt wanneer hij de leeneed aflegt. Karel de Grote beloonde ook soms zijn graven, hertogen en andere bestuurders met lenen. Zo ontstonden er fedodale verhoudingen: betrekking hebben op de band die ontstaat wanneer iemand een persoonlijke eed van trouw aflegt aan een ander in ruil voor leen.-> hieruit kwamen leenmannen: de ontvanger van de leen. In ruil voor leen verricht hij militaire of bestuurlijke diensten voor de leenheer. En een leenheer: vorst of edelman die in ruil voor bepaalde diensten grond in leen geeft aan een leenman.In de loop van de 9 e eeuw werd het Frankische rijk steeds veder opgedeeld. In 843 werd het rijk in 3 delen gedeeld -> Middenrijk, West-Frankische rijk en het Oost-Frankische rijk. Het Middenrijk viel al snel uiteen. Zo versplinterde de macht. Ook versplinterde de macht, omdat hertogen en graven de verdeeldheid gebruikten om hun zelfstandigheid te vergroten.In de laatste periode van het West-Romeinse rijk was er een ernstige economische crisis. De handel en nijverheid nam af. Na de val van het West-Romeinse rijk in 476 zette die ontwikkeling zich door. De steden krompen enorm. De landbouwstedelijke samenleving veranderde in een landbouwsamenleving De meeste boeren waren gebonden aan de grond die ze bewerkten: ze mochten zonder toestemming van de landheer hun grond niet verlaten. Dit waren pachtboeren-> boer die
- / 1