- / 4
HC1: Introductie ontwikkeling
Wat is ontwikkeling?Ontwikkeling is een complex begrip. Volgens alledaagse opvattingen is ontwikkeling een verandering in een bepaalde richting. Er kan sprake zijn van groei – kwantitatieve of kwalitatieve toename. Onder ‘wasdom’ of ‘ontvouwing’ wordt de rijping van bestaande structuren, patronen en functies verstaan. ‘Loswikkelen’ en ‘ontstaan’ duiden op een proces van verzelfstandiging. Maar de meest rakende definitie zou gerichte verandering zijn: een bepaalde verandering in een bepaalde richting.De reïncarnatiegedachte stelt dat tijdens de laatste levensfase het stoffelijke lichaam zich vervangt door een nieuw
lichaam. Ontwikkeling vindt plaats op verschillende niveaus:
-Microgenetisch (celniveau, organen, hersenen) -Ontogenetisch (individuele ontwikkeling) -Sociogenetisch (ontwikkeling van gemeenschappen en culturen) -Antropogenetisch (ontwikkeling van de menselijke soort) -Fylogenetisch (ontwikkeling van biologische soorten) Onderzoeksmethoden Om gedragsontwikkelingen te onderzoeken, zijn er 3 tot 4 methoden beschikbaar.
1.Cross-sectioneel of transversaal onderzoek Hierbij onderzoekt de onderzoeker verschillende leeftijdsgroepen op eenzelfde tijdstip. Hiermee kan het verschil in chronologische leeftijd onderzocht worden (leeftijdseffecten), maar het zegt niets over individuele of persoonlijke ontwikkelingen en verschillen.
2.Longitudinaal onderzoek Hierbij wordt een bepaalde onderzoeksgroep een aantal jaren (soms decennia) gevolgd en op gezette tijdpunten onderzocht. Deze methode kan wel inzicht bieden in individuele ontwikkeling. Overeenkomsten en verschillen tussen individuen kunnen worden vastgelegd.
3.Time lag-methode Hierbij wordt met tussenpozen een groep onderzocht die een bepaalde leeftijd heeft bereikt. Bijvoorbeeld: om de vijf jaar wordt een groep onderzocht die dat jaar 65 is geworden. Zo krijg je gegevens van 65-jarigen uit verschillende jaren. Hoewel dit inzicht geeft in een leeftijdsgroep in een maatschappelijke tijd, weergeeft het geen ontwikkelingsverloop.
4.Longitudinaal-sequentieel onderzoek Dit is een combinatie tussen cross-sectioneel en longitudinaal onderzoek. Deze methode maakt meer valide leeftijdsvergelijkingen mogelijk.Cohorteffecten: wanneer er sprake is van een gebeurtenis die invloed heeft op verschillende leeftijdsgroepen, bijvoorbeeld oorlog of hongersnood.Periode-effecten: Het gevolg van invloeden die variëren over tijd en generatie. Bijvoorbeeld van kinds af aan al opgroeien met computers en smartphones.Ontwikklingsmodellen en –theorieën Ontwikkelingspsychologen gebruiken modellen en theorieën om ontwikkelingen te verklaren en te beschrijven. De theorie beschrijft concrete leeftijdsgebonden gedragingen en ontwikkelingen. Modellen bevatten assumpties over ontwikkeling(sprocesses) waarop de theorieën zijn gebaseerd.Modellen geven aan wat als motor of aandrijving van de ontwikkeling wordt gezien en hoe het ontwikkelingsproces als zodanig vorm krijgt in de tijd. Modellen geven antwoord op de volgende vragen: -Wat lokt ontwikkeling uit? 2 / 4
-Wat bevordert de ontwikkeling?-Wat houdt de ontwikkeling in stand?
Modellen (zie boek):
Stagnatiemodel: hierin vindt er stagnatie (stilstand op
hoogtepunt) plaats op volwassen leeftijd (klassieke theorieën), eventueel met een aftakeling aan het einde van het leven (trapeziummodel)
Stadiummodel en laddermodel: ontwikkeling wordt
gezien als een stapsgewijs proces die leidt tot kwalitatieve veranderingen (zie Erikson)
Differentiatiemodel: uitgangspunt is dat simpele,
globale gedragspatronen in de ontwikkelingsloop worden verfijnd en gespecialiseerd (motoriek)
Levensloopmodel: een vertakkingsmodel waarbij
ontwikkeling wordt gezien als een resultante van biologische, sociale en persoonlijke factoren.Onregelmatige en onvoorspelbare patronen hebben hierin groot belang. Wordt gekenmerkt door grote interindividuele variatie en een open eind.
Webmodel: Verdere uitwerking van levensloopmodel
waarbij een spinnenweb (developmental web) wordt gebruikt als metafoor
Soorten modellen:
Biogenetisch: motor is nature (erfelijke aanleg of
aangeboren eigenschappen)
Contextueel: ontwikkeling wordt beïnvloed door
omgeving (familie, buurt, maatschappij, tijdsgewricht)
Psychodynamisch: Mens is gesloten energetisch
systeem – driften richten zich op lichaamszones en beïnvloeden het gedrag in hoge mate (Freud) 3 / 4
Theorieën beschrijven concrete veranderingen in gedrag die samenhangen met de leeftijd en beschrijft verschillen tussen individuen en groepen (m.b.t. deze veranderingen). Theorieën geven antwoord op de volgende vragen: -Waartoe leidt de identiteitsontwikkeling?-Waartoe leidt de morele ontwikkeling?-In welke richting verloopt de psychoseksuele ontwikkeling?Wat is het verschil tussen ontwikkelingspsychologie en levenslooppsychologie?Ontwikkelingspsychologie is de discipline die probeert in zo abstract mogelijke termen algemene mechanismen van ontwikkeling te achterhalen (in de algemene vorm van ontwikkelingsprocessen). Vooral de kindertijd en adolescentie worden onderzocht. Na de adolescentie lijken de algemene ontwikkelingsprocessen plotseling op te houden (vanaf
ongeveer 20 jaar). Voorbeeld van ontwikkelingspsychologische theorie:
Cognitieve ontwikkeling (Piaget):
Volgens Piaget is het formeel operationele denken het hoogste stadium van het cognitief functioneren. Hij stelt dat dit stadium zijn hoogtepunt bereikt tijdens de adolescentie en daarna weer afzwakt. Hij
onderscheidt vier fases:
1.Senso motorische fase (0-2 jaar) – grijpreflexen 2.Preoperationele fase (2-7 jaar) – assimilatie en accommodatie Rond het 7 e jaar treedt het conservatieprincipe op: het besef dat sommige objecten onveranderlijk blijven, ondanks de uiterlijke schijn van het tegendeel 3.Concreet operationele fase (7-12) – cognitief indelingen en categorieën maken 4.Formeel operationele fase (12-…) – experimenteel denken (egocentrisch) Levenslooppsychologie richt zich op het bijzondere: als we allemaal de algemene processen doorlopen, door welke ontwikkelingen zijn we dan individueel zo verschillend? Waarom heeft iedereen een ander levensverloop en hoe komt dat? In tegenstelling tot klassieke ontwikkelingspsychologie, richt de levensloopbenadering zich ook op processen die plaatsvinden vanaf de jongvolwassenheid (zelfs tot in de hoge ouderdom). Alle levensfasen worden ongezocht. Kerngedachte: ontwikkeling is een levenslang proces. Een aantal uitspraken waarover wel eens
misverstanden bestaan (hieronder zijn wel waar):
De identiteitsontwikkeling is niet voltooid rond het 21 e levensjaar Vrouwen hebben meer psychosomatische klachten als ze jongvolwassen zijn Na het 30 ste levensjaar zien we geen achteruitgang in het cognitief functioneren Tijdens de overgang hebben vrouwen serieuze medische en/of psychologische klachten Persoonlijkheid speelt een belangrijke rol bij de partnerkeuze
Uitgangspunten:
Ontwikkeling vindt plaats gedurende hele leven, van conceptie tot de dood Ontwikkeling omvat ontplooiing van een groot aantal functies (fysiologisch, cognitief, sociaal en psychologisch) die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn Bij individuen kun je gedurende de levensloop zowel stabiliteit als verandering constateren Adolescentie: exploderende groei en kleine verliezen. Volwassenheid: kleine groei en grote verliezen Context (persoonlijke relaties en omgeving) speelt een belangrijke rol bij het ontwikkelen van gedrag Ontwikkeling is het resultante van interacterende biologische, psychologische en sociale factoren Er bestaan grote interindividuele verschillen in de ontwikkelingsgerelateerde veranderingen Multidimensioneel, multidirectioneel en multigedetermineerd
Determinanten van de levensloop: drie soorten invloeden (Baltes)
Onze levensloop is multigedetermineerd, dat betekent dat het door verschillende factoren wordt beïnvloed (naast biologisch ook sociaal, cultureel en persoonlijkheid).
- / 4