Aarde Het weer is eigenlijk niks anders dan de toestand van de atmosfeer (dampkring) op een bepaalde plaats en tijd. De atmosfeer bestaat uit verschillende gasvormige lagen rond de aarde.
Invloeden op het weer:
- Stand van de zon (loodrecht/schuin)
- Wolken (houden licht en warmte vast)
- Water in de oceanen
- Atmosfeer: neemt de warme lucht die het aardoppervlak overdag absorbeert op in de nacht
waardoor het niet extreem afkoelt.Al deze bovenstaande redenen zorgen voor een gematigd klimaat.
Luchtdruk: mooi weer: H, slecht weer: L.
- Hogedrukgebied: er is te veel lucht en een neerwaartse drukbeweging, de wind kan niet
- Lagedrukgebied: er is te weinig lucht en een opwaartse drukbeweging, de opwaartse
- Wind: wanneer het verschil in L en H heel groot is en de lucht sneller stroomt.
omhoog geen wolkvorming.
beweging zorgt voor opstijgen van warme lucht die in de koudere lagen van de atmosfeer komt en afkoelt condenseren druppels zware wolken neerslag.N.B.: warme lucht is lichter dan koude lucht, bevat meer vocht dan koude en stijgt op!
- Windrichting: de richting van waar de wind komt.
- Isobaren: lijnen op de kaart die punten met dezelfde luchtdruk met elkaar verbinden
Hoe dichter isobaren op elkaar staan, hoe groter het verschil in luchtdruk tussen de plekken en hoe harder het dus waait.
- Hectopascal (hpa): de gebruikte eenheid om luchtdruk te meten.
- Millibar (mbar): vroeger de gebruikte eenheid om luchtdruk te meten.
- Wolk: heel kleine waterdruppels die zo licht zijn dat ze blijven zweven. Als de wolkendruppels
groot genoeg zijn, valt er neerslag.
o Cumuluswolken: dikke donzige stapelwolken buien
o Stratuswolken: laaghangende platte wolken langdurige regen/motregen
o Cirruswolken: hoge sluierachtige wolken eerste tekenen van regen
- Front: de plek waar twee luchtmassa’s met verschillende temperaturen elkaar ontmoeten.
o Koufront: koude luchtmassa komt in een gebied warme lucht
o Warmtefront: warme luchtmassa komt in een gebied koude lucht
Neerslag begint altijd in sneeuw. Als ze door de luchtlagen heen vallen die boven het vriespunt zijn, verandert het in natte sneeuw of regen.Satellieten voorspellen ook het weer en maken foto’s in de ruimte.
De dagen van de week zijn vernoemd naar de zeven hemellichamen in de ruimte, inclusief de zon (zondag) en de maan (maandag).
- Alle planeten gaan in vaste banen om de zon.
- Zonnestelsel: de zon en de daaromheen draaiende planeten (in totaal acht)
De lengte van een maand is gebaseerd op de duur van de maansomloop.
- Schijngestalten van de maan: de verschillende vormen die de door zon beschenen maan kan
hebben.
o Nieuw maan: maan is helemaal zwart
o Eerste kwartier: rechterkant is belicht
o Tweede kwartier: linkerkant is belicht
o Volle maan: helemaal belicht
- Zonnejaar: de tijd die de aarde nodig heeft om één keer rond de zon te draaien (365 ¼
- / 1
dagen) schrikkeljaar, want vier keer ¼ is een dag extra eens in de vier jaar.Als het noordelijk halfrond naar de zon gericht is, is het hier zomer.