- / 2
Hoofdstuk 1: Inleiding
Het spreken met kinderen is voor bijna iedereen een dagelijkse bezigheid. Toch bestaat er nauwelijks literatuur over gespreksvoering met kinderen, en zeker niet over jonge kinderen. Gezien de toenemende belangstelling voor de mening van het kind begint er enig onderzoek te komen over hoe overzichtsonderzoeken met vragenlijsten en interviews met kinderen uitgevoerd zouden moeten worden. In opleidingen wordt weinig aandacht besteed aan het onderwerp spreken met kinderen. Specifieke aandacht voor open gesprekken met kinderen is nog schaarser. Meestal gaat het onderzoek over het communiceren met kinderen in verhoorsituaties en voor getuigenissen.
1.1 De dominantie van taal Hoe jonger het kind, des te onhandiger volwassenen zich lijken te voelen in gesprek met kinderen.Voor het kind geldt dat niet minder. Hoe jonger het kind, des te vreemder de communicatie met volwassenen vaak voor hem of haar is. Het begint al vanaf de geboorte. Een baby begrijpt zonder uitleg al snel dat hij of zij zal moeten leren wat die brei aan geluiden die volwassenen voortbrengen betekent, en probeert de baby zichzelf een taal eigen te maken.Niet iedereen heeft dezelfde talige talenten en niet iedereen krijgt dezelfde mogelijkheden aangeboden om taal te ontwikkelen. Er zijn verschillen aan te geven tussen jongens en meisjes.De taalontwikkeling bij jongens verloopt vaak trager.Kinderen zijn bijzonder sensitief ingesteld op hun omgeving en begrijpen situaties van daaruit, lang voordat er woorden bij horen. In alle talen maken kinderen in het begin fouten die ze zelf produceren. Deze fouten komen voort uit hun abstractievermogen, of het nu een intelligent kind is of een kind met minder sterke intellectuele vermogens. Ze zeggen bijvoorbeeld ‘ik loopte’. Deze fouten worden door geen enkele volwassenen aan het kind geleerd. Integendeel, wanneer het kind een dergelijke fout maakt, verbetert een volwassene het kind en zegt dat het ‘ik liep’ moet zeggen.Hierdoor zal het kind voortaan ‘ik liep’ zeggen.De sensitieve periode voor taal = een periode waarbinnen het kind op taal gericht is en waarin het deze taal vloeiend leert beheersen. Deze periode loopt van de geboorte tot ongeveer zeven jaar.Vervolgens is er een sensitieve periode voor het verfijnen van de taal, vooral in grammaticaal opzicht en voor het leren lezen en schrijven, van ongeveer zeven tot tien jaar.De capaciteit tot het leren communiceren met behulp van taal is enorm groot, maar moet wel de gelegenheid krijgen om ontwikkeld te worden. Volwassenen maken vaak de vergissing dat wanneer een kind in staat is om de woorden van een taal uit te spreken, het kind ook in staat is om de vragen te formuleren die hem of haar bezighouden. Zeker tot zo’n tien jaar is dat beslist niet het geval. Kinderen kunnen bijvoorbeeld vanuit hun gebrek aan het onder woorden kunnen brengen van wat ze willen vragen, repeteervragen stellen, dat wil zeggen het herhalen van dezelfde vraag.Volwassenen interpreteren dat gedrag niet zelden als onoplettendheid en reageren door te zeggen dat ze al antwoord hebben gegeven en dat het kind moet luisteren. Een kind dat steeds dezelfde vraag stelt, kan een kind zijn dat slecht luistert. Het zal echter vaker een kind zijn dat probeert een bepaald antwoord te bewerkstelligen zonder in staat te zijn de juiste vraag daarbij te formuleren.Repeteervragen komen tot een jaar of acht veel voor. Kinderen kunnen een gesprek nog niet goed
- / 2