- / 4
- / 4
- / 4
Hoofdstuk 1 – Planten Planten danken hun groene kleur aan bladgroen, dat aanwezig is in hun cellen. Bij planten met bladeren is dit pigment vooral geconcentreerd in het bladweefsel. Bladgroen is essentieel voor het proces van fotosynthese: een biochemisch mechanisme waarbij planten zonlicht benutten om energierijke stoffen aan te maken. Tijdens deze omzetting wordt zuurstof als restproduct vrijgegeven, wat cruciaal is voor het leven op aarde (Kersbergen, 2021).
1.1 Indeling van het plantenrijk De diversiteit binnen het plantenrijk is onderverdeeld in hoofdgroepen en subgroepen. Deze classificatie berust op verwantschappen tussen soorten.Wieren bezitten geen klassieke plantenorganen zoals wortels, stengels of bladeren. Ze leveren een aanzienlijk aandeel van de atmosferische zuurstof. Eencellige wieren worden algen genoemd, terwijl meercellige wieren draadvormige of bladachtige structuren vertonen. Korstmossen vormen een symbiose tussen een alg en een schimmel, wat hen uniek maakt binnen deze groep (Kersbergen, 2021; Van der Meer, 2021).Mossen zijn eenvoudige landplanten die afhankelijk zijn van vochtige omgevingen. In plaats van wortels gebruiken ze rhizoïden om zich aan de ondergrond te hechten. Ze groeien in dichte kussens om vochtverlies tegen te gaan. Voor de voortplanting produceren ze sporendragers, waaruit sporen vrijkomen bij droge omstandigheden.Paardenstaarten zijn robuuster en geschikt voor drogere habitats. Hun stengels bevatten vaatbundels en een waslaag, waardoor ze water efficiënt kunnen transporteren en verdamping beperken. De aanwezigheid van lignine in de celwanden geeft de plant stevigheid.Varens ontwikkelen zich uit ondergrondse wortelstokken en bezitten grote, geveerde bladeren. Sporen worden gevormd aan de onderzijde van de bladeren, wat bescherming biedt tegen regenval.Zaadplanten hebben een geavanceerd systeem van wortels en vaatbundels en zijn optimaal aangepast aan droge omstandigheden. Ze kunnen aanzienlijk in hoogte variëren, van grasachtige gewassen tot loof- en naaldbomen. De voortplanting geschiedt via zaden, die een embryo en reservevoedsel bevatten voor de kiemfase (Kersbergen, 2021).Coniferen (Naaktzadigen) Coniferen vormen geen bloemen of vruchten; hun zaden ontstaan op de houtige schubben van kegels.Omdat de zaden niet zijn omhuld door een vruchtwand, noemt men ze naaktzadigen. Dit type voortplanting is een aanpassing aan koude en voedselarme omgevingen (Pérez-Harguindeguy et al.,
2021).
Bloemplanten (Bedektzadigen) Tot deze groep behoren loofbomen, struiken en kruidachtige planten. Bloemplanten beschikken over bloemen die essentieel zijn voor de geslachtelijke voortplanting. Na bestuiving ontstaat in het vruchtbeginsel een vrucht met daarin het zaad. Hierdoor spreekt men van bedektzadigen.
1.2 Groeiomstandigheden Optimale groei vereist een combinatie van factoren: licht, koolstofdioxide, zuurstof, water, mineralen en temperatuur. Als deze omstandigheden niet voldoende aanwezig zijn, wordt de groei geremd. Recent onderzoek toont aan dat variaties in daglengte en bodem-pH ook significante invloed hebben op de groei (Zhou et al., 2021).
- / 4