- / 4
Hoofdstuk 1 – Sociale Psychologie 1.1Sociale invloed
1.1.3 Kuddedieren
Need to belong: bij de groepen blijven, zich aanpassen aan elkaar,
belangrijk vinden om erbij te horen
Social tuning: onbewust op elkaar afstemmen van gedrag, gedachten en
gevoelens
Kameleon-effect: sociale band met anderen versterken
Spiegelneuronen: b.v. iemand handlopen zien activeert in je eigen brein
dezelfde cellen basis van empathie
Hindsight bias: ‘ik heb het altijd al geweten’-effect
Self-fulfilling prophecy: een voorspelling die zichzelf werkelijkheid maakt
als je iemand op een bepaalde manier behandelt, beïnvloed je zijn gedrag als je aardig doet, doet hij ook aardig terug bv. telefoongesprek mannen die
een beeld van hun gesprekpartner zien de enen een mooie vrouw en de anderen een lelijke vrouw
Fysiek aantrekkelijkheid: van aantrekkelijke mensen wordt verwacht dat ze
aardig zijn
Brainstormen: liever eerst alleen werken en dan samen bespreken
mensen in een groep doen soms minder goed hun best
Slijmen: mensen die slijmen verkopen twee keer zo veel lootjes
Hard to get: mensen worden hierdoor alleen nog aantrekkelijker als je hij/zij al aantrekkelijk vond!
1.2Het sociaal-psychologisch perspectief
1.2.1 De kracht van de situatie
Het omstander/bijstander effect: hoe meer andere mensen er aanwezih zijn
bij een noodgeval, des te kleiner is de kans dat iemand gaat helpen des te langer duurt het voordat mensen in actie komen mensen voelen zich niet persoonlijk verantwoordelijk
Gehoorzaamheid: onderzoek elektrische schokken ‘Befehl ist Befehl’
(Milgram 1963) -Mensen willen een autoriteit vooral gehoorzamen als ze het idee hebben dat hij precies weet wat hij doet.-Veer weg van het slachtoffer en niet dichtbij -Het experiment begint onschuldig met kleine schokjes en niet meteen met 450 volt
1.2.2 De interpretatie van de situatie
Sociale cognitie: een term die verwijst naar ons denken (cognitie) over de
sociale omgeving er kan een grote discrepantie zijn tussen de werkelijkheid zoals deze “echt” is en zoals deze wordt waargenomen 2 / 4
1. Mensen geven een betekenis in wat ze zien ze zoeken een samenhang bv. wanneer we een man zien huilen bij een sentimentele film, heeft dat een andere betekenis dan wanneer een vrouw precies hetzelfde doet 2. Mensen gebruiken hun cognitieve capaciteit efficiënt
ocognitieve capaciteit: hun aandacht en denkwerk zo efficiënt mogelijk
gebruiken omdat we niet alles onthouden kunnen wat we elke dag zien
3. Motieven en belangen kleuren de waarneming:
obehoefte aan een positief zelfbeeld: goed gevoel over onszelf en dat
anderen gunstig over ons denken wij geven bv. na een scheiding liever de ex de schuld
obehoeft aan controle: z.B. Lose ziehen und dabei hoffen, dass man
das richtige Los zieht hilft nicht, aber man hofft es
oAutomatische reacties: Het grootste deel van wat mensen doen is
onbewust. Je kunt dit vergelijken met een ijsberg: het topje dat je boven
water ziet uitsteken is bewust, maar het grootste deel van de berg zit
onder water: het onbewuste.
oExpliciet geheugen: kennis waarvan we weten dat we ze hebben
bewust
oImpliciet geheugen: bevat kennis en ervaring waarvan we onbewust
gebruik van maken. Het is kennis die ons denken en handelen beïnvloedt, zonder dat we kunnen aangeven waardoor dat komt. onbewust
4. Veel reacties zijn onbewust en automatisch:
oEmbodiment: associaties tussen lichamelijke (body) en mentale
reacties lichamelijke reacties kunnen ons denken en voelen beïnvloeden
oFacial feedback: De toestand van het lichaam geeft de hersenen
informatie over de gemoedstoestand. Het is een automatische associatie tussen lichamelijke en mentale reacties. (b.v. pen in de mond) lachtherapie jij wordt dus vrolijker lachtherapie ..> jij wordt
dus vrolijker
oWarmte: het gevoel van fysieke warmte leidt tot een warmere opstelling
tegenover anderen. In een warm ruim voelen mensen zich ook meer verwant met elkaar. Mensen die zich eenzaam voelen nemen ook vaker een bad of een warme douche.
oGewicht: associatie tussen gewicht en belang bv. vragenlijst met
klembord dat ofwel licht ofwel zwaar was bij zware klembord vonden te het onderwerp belangrijker
oReinheid: een schone lichaam geeft ook een gevoel van een schoon
geweten en morele reinheid
Macbeth-effect: Lady Macbeth die zich
schoon wilde wassen na de moord op King Duncan 3 / 4
1.2.3 Onderschatten van de kracht van de situatie
Correspondentie-vertekening: de invloed van de situatie op het gedrag van
mensen te onderschatten je neemt aan dat he gedrag van mensen correspondeert met onderliggende persoonlijkheidseigenschappen andere term fundamentele attributiefout (Harris 1967)
Induced compliance: iets als je eigen keuze ervaren maar je werd gestuurd
Cognitieve dissonantie: b.v. jij schrijft een essay voor een verhoging van
het collegegeld, hoewel jij er eigenlijk tegen bent: je ervaart een tegenstelling
(dissonantie) tussen twee gedachten (cognities), namelijk:
1.‘Ik ben tegen verhoging van het collegegeld’ en 2.‘Ik schrijf uit vrije wil een betoog voor verhoging van het collegegeld.’ (omdat de docent tevoren zei dat hij nog opstellen voor een verhoging nodig hebt.) De toevoeging ‘uit vrije wil’ is hier van belang, want zonder zou je geen spanning voelen. Het uiteindelijke resultaat is dan dat je iets minder tegen een verhoging van het collegegeld bent, omdat je jezelf zeg ‘Zo erg is het ook weer niet als het collegegeld wordt verhoogd.’ (als er geen beloning voor is) cognitieve dissonantie = jij kan jou gedrag aan niks toeschrijven
egocentrische vertekening: mensen overschatten hun eigen aandeel in de
gang van zaken bv. aannemen dat je een grotere bijdrage aan de huishoudelijke taken levert dan jouw huisgenoot Onderzoeksmethoden - Experiment vaststellen van causale relaties (oorzaak – gevolg)
experimentele groep: hierbij verander je een variabele
controlegroep: deze is bedoeld om het effect van de andere conditie mee te
vergelijken hierbij laat je de variabele intact nodig het verschil tussen de twee groepen heet de onafhankelijke variabele we moeten ervoor zorgen dat de groepen vergelijkbaar zijn De variabele waarvan we willen weten of hij wordt beïnvloed door de onafhankelijke variabele heet de afhankelijke variabele.
X: oorzaakvariabele/onafhankelijke variabele = oorzaak gemanipuleerd
Y: effectvariabele/afhankelijke variabele = gevolg gemeten
Beoordelen van onderzoek = validiteit Construct validiteit = zijn de metingen juist? meten we wat we denken dat we meten oSociale wenselijkheid oExperimenter demand/reactiviteit van metingen oInzicht in eigen drijfveren en gedrag Interne validiteit = zijn er alternatieve verklaringen? Andere redenen waarom je iets hebt uitgevonden
Externe validiteit: zijn de resultaten te generaliseren? ligt het aan de
opbouw of aan de proefpersonen
oGeneraliseren naar:
- / 4