1
HOOFDSTUK 2 - PHYLUM: TREMATODA (ZUIGWORMEN, NIET-GESEGMENTEERD)
Onthouden dit hoofdstuk:
- Zoetwater biotoop, slak tussengastheer, voeding via tegument.
- Behandeling: praziquantel (behalve voor fasciola).
- Er is mogelijk menginfectie tussen pensbot en leverbot.
- De pathogeniciteit van fasciola: de migratie.
- Verschil met de kleine leverbot: landbiotoop. Slak gaat zelf naar ei ipv andersom. Met de
- Schistosoma: Katayama fever. De 3 parasieten op de slide van links naar rechts.
mier op het gras dat kramp krijgt in de kaken. De pathogeniciteit lag in de retrogade migratie.
INLEIDING
Algemene kenmerken
- Parasitair bij vertebraten (rund, geiten, schapen, varkens,…)
- Wereldwijdverspreid → overal waar slakken voorkomen.
- Infecteren in het SVS (als adult of juveniel) + annexi (lever,…). Respiratoir is
eerder een uitzondering.
- Vallen onder de botten: Digenea
- Indirecte cyclus met minstens 2 tussengastheren met verschillende generaties
- Hebben hoge specifiteit voor de tussengastheer (= gastropode, zoetwaterslak)
- Komt voor waar de zoetwater biotoop van de slak is. Makkelijke zoönose.
- Pp=12 weken. Leven lang.
en een lage specifiteit voor de vertebrate eindgastheer.
Morfologie - Dorsoventraal afgeplat + niet-gesegmenteerde lintworm (verschil met cestoden)
- Meestal 2 zuignappen: oraal + ventraal
- Bilaterale symmetrie
- Coeloom, anus en circulatiesystemen zijn afwezig → relatief primitief
- Excretie systeem obv vlamcellen, deze scheiden metabolieten uit
- Onvolledig digestie systeem
- Hermafrodiet (twee geslachtelijk): uitzondering Schistosoma (gescheiden
lichaam dus gescheiden geslacht)
Echinostoom: 1 zuignap. Distoom: orale en ventrale zuignap
(normaal). Amphistoom: de ventrale zuignap staat ver naar
onder.
Algemene structuur
- Orale zuignap (voeding opnemen) komt
uit in een gespierde pharynx die verder loopt naar blind darmen (doodlopende zakken).
- Er zijn twee zuignappen aanwezig:
distome.
- Kanaal van Laurer: eitjes komen hier naar
buiten
- Mehlis klier: gaan schaal vormen
- Vitelliene klieren → produceren eigeel
- Receptaculum seminis: opstapeling zaadcellen
- Cirrus: soort penis 1 / 10
2
- In de 1
e tussengastheer (slak) vindt er een enorme aseksuele vermeerdering plaats (400 miljoen nakomelingen vanuit 1 eitje).
Externe structuren Bevat een uitgebreid tegument
- Is de lichaamswand die zeer actief is, bestaat uit levende cellen met een zeer
- Zowel Trematoda als Cestoda hebben een tegument, waarmee ze praktisch alle
- Fasciola hepatica heeft zeer sterke vertakte caeca en kan daardoor ook via de
- Nematoda hebben géén tegument!
- Gaat grootste deel van voedselopname veroorzaken (via de orale zuignap → SVS
- Tegument bestaat uit villi en microvilli die zorgen voor een sterke
- Tegument bestaat uit een longitudinale en circulaire spierlaag, maar de
snelle turnover. Met behandeling kun je hier op inwerken en dan zal het afsterven.
voedingsstoffen gaan opnemen uit de omgeving.
caeca voedsel opnemen. De ander Trematoda gebruiken het tegument (buitenste wand) voor hun voedselopname.
→ excretiekanaal zeer weinig vertering)
oppervlaktevergroting. De villi kunnen, afhankelijk van de species (bv. bij Trematoda), ook stekels bevatten. Als een gastheer constant door deze stekels wordt geïrriteerd, ontstaat een chronische inflammatie dat kan leiden tot fibrose bij de gastheer, dat weer uiteindelijk kan evolueren tot kanker (de stekels dragen bij aan de pathogeniteit vd worm).
spierwerking op zich is beperkt (enkel de zuignap heeft een zekere spierkracht).
Behandeling Een middel dat kan gebruikt worden voor de behandeling van Trematoda (behalve Fasciola hepatica) en Cestoda is praziquantel. Dit werkt in op het tegument. Fasciola kan nog voldoende voedingsstoffen opnemen via de caeca.
Interne stucturen Zenuw → zeer rudimentair, want weinig ontwikkelde spieren. Larven kunnen eye- spots hebben waarmee ze aan host-finding doen, gaan hierbij op zoek naar de 1 e TGH.Vertering → zeer beperkt via SVS grotendeels via het tegument (FH ook via caeca) Uitscheiding → geen anus maar excretieporus
Reproductie:
- Aseksuele vermeerdering
- Hermafrodiet (m.u.v. schitosoma) → dus kruisbevruchtiging (is nooit
zelfbevruchting)
Standaard levenscyclus Er is zowel aseksuele vermeerdering in de invertebraat (tussengastheer, slak, mollusc) als seksuele vermeerdering in de vertebraat (eindgastheer).
Er zijn 6 verschillende stadia die je bij de Trematoda gaat terugvinden. Hiervan bevinden stadia 1 en 2 zich in de omgeving, stadium 3 en 4 (aseksuele vermeerdering) in de 1 ste tussengastheer (slak).
1. Zygote: bevrucht ei verlaat de adulte worm
- Myracidium
- Gecilieerde vrijlevende larve. Moet binnen 8-12 uur een slak vinden mbv
- Hebben een klier om via proteolyse in de slak te komen
eye-spots, anders sterven. Voedt zichzelf niet.
2 / 10
3
- Sporocyst
- Uitgroei van broedzak met germinale cellen
- Soms vorming van 2
- Nog geen duidelijke morfologie zichtbaar
- Redia
- Larvaal tussenstadium met uitgroei van germinale cellen
- Dit stadium is niet bij alle Digenea aanwezig
- Soms vorming van dochtergeneraties
- Wel een duidelijke morfologie zichtbaar
- Cercaria
- Gaan de slak verlaten via een porie, zijn niet meer gecilieerd
- Larve met staart die uiteindelijk naar de volwassen worm zal uitgroeien
- Reproductie organen reeds partieel aanwezig
- Cercaria verlaten de slak actief
- Lijken sterk op adulte Trematoda maar hebben nog wel een staart (moet
- In water en moeten kunnen zwemmen → staart
- Metacecaria
e generatie sporocysten
DUS → in de slak ongeslachtelijke vermeerdering ovv redia of sporocysten
kunnen zwemmen in water)
o Infectieuze cystevorm: passieve infectie van eindgastheer →
furcocercaria (heeft gevorkte staart).
o Bij Schistosoma: actieve infectie door penetratie van de huid
- Kunnen zowel in de omgeving verblijven (zo verblijft Fasciola hepatica op
- Hebben een dikke wand dus stabiel in de omgeving.
- Adulte trematode in eindgastheer
planten) of in bijvoorbeeld spierlagen van andere dieren.
Het hangt van de species af of er zowel een sporocyst als een redia stadia voorkomt in de slak of maar één van de twee. We hoeven dit niet in detail te weten.
Het is voor de slak niet gemakkelijk om tussengastheer te zijn. De voortplanting van de slak gaat er op achteruit → dus de immature worm is bijna altijd parasitair bij zijn tussengastheer.Dochter sporocysten of dochter redia worden enkel gevormd wanneer er geen gunstige omstandigheden zijn, bv. lage temp. Dit is dus een manier voor de parasiet om toch te kunnen overleven.
3 / 10
4
DIGENEA – SYSTEMATIEK
Genera in het blauw die belangrijk/examenvraag zijn: Schistosoma, Fasciola, Paramphistomum, Dicrocoelium.
FAMILIE: ECHINOSTOMATIDAE
Relevant voor dierenarts: Echinostoma revolutum.
- Gastheer: vogels (mens)
- Localisatie: rectum, caecum
- Eerste tussengastheer: slak
- Metacercaria in: slakken, kikkervisje → opgegeten door watervogels.
Echinoparyphium recurcatum
- Gastheer: watervogels,
- Localisatie: dunne darm
- Eerste tussengastheer: slak
- Metacercaria in: slakken, kikkervisjes.
FAMILIE: FASCIOLIDAE
Soorten fasciola
- Hepatica → wereldwijd in galgangen van bijvoorbeeld schapen
- Gigantica → Komt eerder voor in subtropische gebieden. In galgang.
- Magna → bevindt zich in het leverparenchym. Normale gastheer is het hert
(komt in contact met galgangen), komt ook voor bij rund/schaap/varken en is
daar meer pathogeen: blijft in lever.
- Buski → in het verre oosten
Wanneer de parasiet niet is aangepast aan zijn gastheer: verhoogde pathogeniciteit.De Fasciolidae zitten gevangen in de lever en veroorzaken ernstige leverproblemen.
De eerste tussengastheer is in de meeste species de Lymnea truncatula (poelslak).Het ideale biotoop voor deze slak kan je bijv. terugvinden in plassen in het weiland, waar dan gemakkelijk algen in gaan groeien (voedsel voor de slak).