Hoofdstuk 3 mondelinge taalverwerving Taalverwerving
Er zijn verschillende theorieën geweest over kinderen hun taalverwerving:
-Behaviorisme -Creatieve constructietheorie -Interactionele benadering Het behaviorisme is een stroming binnen de psychologie die ervan uitgaat dat kinderen hun taal leren door imitatie. Kinderen bootsen de taal die ze in hun omgeving horen na. Daarbij worden frequente woorden het eerst geleerd. Ook is het zo dat de meest frequente woorden niet als door kinderen geleerd worden. Dat zijn de concrete zelfstandige naamwoorden en werkwoorden die verwijzen naar dingen en acties uit de directe omgeving van een kind. Wel is het zo dat het voorbeeld van ouders noodzakelijk is om de taal te leren.Binnen de creatieve constructietheorie gaat men ervan uit dat kinderen de taal simpel weg niet imiteren, maar zelf over een aangeboren taalvermogen beschikken waarmee ze op een creatieve manier zinnen kunnen bouwen. Een aanwijzing voor een aangeboren taalmechanisme ligt in het feit dat een kind elke willekeurige taal kan leren. Met het aangeboren taalleervermogen is een kind instaat om zelf structuur te ontdekken in de tal en kan het ook zinnen vormen die het nog nooit eerder heeft gehoord. Binnen de creatieve constructietheorie werd sterk de nadruk gelegd op de creatieve manier waarop een kind met behulp van taalvermogen zelf zijn taal construeerde.Binnen de interactionele benadering onderschrijft men het belang van het aangeboren taalleervermogen, maar men benadrukt dat het taalaanbod van de omgeving en interactie tussen een kind en ander moedertaalsprekers belangrijk is bij het leren van een taal. Wel is het zo dat het taalaanbod afgestemd moet zijn op de mogelijkheden van het kind.Eerste taalverwerving De taalontwikkeling van kinderen begint op het fonologisch niveau met vormen van spraakklanken. Kinderen ontwikkelen zich ook op morfologisch niveau, waarbij het gaat om de manier waarop woorden gevormd worden.Op syntactisch niveau van de tal leren kinderen de regels die er zijn voor het combineren van woorden. Een kind leert de taal ook op pragmatisch niveau en maakt zich de regels eigen voor het gebruik van de taal en de communicatie tussen mensen.In het taalverwervingsproces van een kind onderscheiden de volgende twee
perioden:
1.De prelinguale periode (0-1 jaar)
2.De linguale periode, deze is onderverdeeld in:
-De vroeglinguale periode (1 tot 2 ½ jaar) -De differentiatiefase (2 ½ tot 5 jaar) -De voltooiingsfase (5 tot 9 jaar) Het overzicht is voor een groot deel gebaseerd op Gillis en Schaerlakens (2000). 1 / 3
Prelinguale periode Dit is de periode voor een kind zijn eerste woordjes spreekt. Deze periode loopt vanaf de geboorte tot aan ongeveer het eerste levensjaar, je kunt hierbij nog niet spreken van taal. In hun eerste levensjaar produceren kinderen geluiden. Het gaat hierbij vooral om het communiceren zoals het huilen, dit geeft de ouders een signaal dat er iets is met de baby. Na ongeveer 6 weken beginnen baby’s zich actief met taal bezig te houden. Ze luisteren naar stemgeluiden en beginnen ook zelf klanken te produceren (vocaliseren).Na ongeveer 4 maanden begint het kind steeds meer te experimenteren met voortbrengen van geluiden. De klanken worden gevarieerder en verschillen in toonhoogte, luidheid en duur. Kinderen produceren nu ook medeklinkers en zelf allerlei klanken die wij niet kennen (vocaalspel).Na ongeveer 7 maanden begint de fase van het brabbelen. Een kind herhaalt klankgroepen, deze klinken een beetje als taal. In de fase van het brabbelen produceert een kind nog klankgroepen zonder betekenis en verwijst dus niet naar een bepaald persoon.Linguale periode Na het eerste levensjaar begint deze periode. Een kind gaat woorden en zinnen als communicatiemiddel gebruiken. De linguale fase in de taalontwikkeling valt uiteen in
drie perioden:
1.De vroeglinguale periode (1 tot 2 ½ ) 2.De differentiatie periode (2 ½ tot 5 jaar) 3.De voltooiingsfase (5 tot 9 jaar) In de vroeglinguale periode gaat het brabbelen van de baby langzamerhand over naar betekenisvol taalgebruik. Vaak worden de eerste woorden nog niet helemaal correct uitgesproken. Dit komt omdat het spreekmechanisme van een kind nog niet zover is ontwikkeld dat het alle klankencombinaties kan uitspreken. Woorden zijn bij kinderen eerst nog sterk verbonden met een gebeurtenis of actie.In het begin lijkt het alsnog een kind alleen maar losse woordjes spreekt, maar het blijkt dat de woorden al wel het karakter van een zin hebben. Met behulp van een los woordje doet een kind een mededeling of stelt het een vraag. Een kind kan ook al een ontkennende zin maken door een woord te zeggen en daarbij ‘nee’ te schudden.Als een kind zover is dan zit het in de fase van de eenwoordzin .De eenwoordfase duurt bij de meeste kinderen ongeveer een halfjaar. Op de leeftijd van anderhalf jaar beginnen kinderen woorden te combineren en dan spreken we van de periode van de tweewoordzin. Een kind kan nu met behulp van taal allerlei relaties aangeven. Vanaf dat moment gaan de regels voor de volgorde van woorden een rol spelen en begint een kind met het leren van de grammatica van het Nederlands. 2 / 3
De periode van de tweewoordzin wordt relatief snel gevolgd door de periode van de meerwoordzin. Een kind kan nu al zinnen van meer dan twee woorden maken. Er is hierbij wel een verschil tussen kinderen. De ene kinderen kunnen sneller zinnen maken dan anderen. Opvallend is dat de actieve woordenschat van een kind vooral bestaat uit inhoudswoorden.Differentiatie fase Vanaf zo’n 2 ½ jaar begint het taalgebruik van kinderen steeds meer op dat van volwassenen lijken. Vanaf nu leert een kind de morfologische en pragmatische aspecten van taal. De taalontwikkeling wordt veel gedifferentieerder, op alle niveaus ontwikkelt een kind zich. Deze periode duurt tot ongeveer 5 jaar.Deze fase valt voor een groot deel samen met de kleuterleeftijd, in deze periode ontwikkeld het kind zich sterk op verschillende vlakken.In de differentiatiefase ontdekken kinderen ook dat de vorm van een woord belangrijke informatie bevat. Ze leren allerlei morfologische principes als het meervoud van woorden, het vormen van verkleinwoorden of het vervoegen van werkwoorden. Een kind ontdekt zelf de regelmatigheden in de taal. Dat blijkt uit overgeneralisaties waarbij kinderen taalregels ten onrechte toepassen.Voltooiingsfase In deze fase leert een kind niet meer heel veel nieuwe dingen. Op morfologisch gebied moet een kind nog veel leren over onregelmatige vormen en de verleden tijd van sterke werkwoorden.Op syntactisch niveau is het voor een kind nog lastig langere zinnen te vormen. Ook het vormen en begrijpen van passieve zinnen blijft vaak lastig.Op pragmatisch niveau zien we dat een kind als een volwaardig gesprekspartner kan functioneren.Tweedetaalverwerving Het proces van het leren van een tweede taal verloopt in meerdere stappen, het proces van het leren van de tweede taal is anders dan het leren van een eerste taal.Het kan zijn dat iemand twee talen tegelijk leert, dit heet simultane tweetaligheid.Dit wordt zo genoemd als iemand voor zijn derde levensjaar een tweede taal leert spreken. Daarnaast heb je nog successieve tweetaligheid, kinderen leren een tweede taal nadat ze de eerste taal hebben geleerd. Je ziet dan dat het leren van een tweede taal wordt beïnvloed door de eerste taal, er kunnen dan interferentiefouten ontstaan. Dit zijn fouten die voortkomen uit de verschillen tussen de eerste en de tweede taal.
- / 3