Hoofdstuk 3 Theorieën Injectienaaldtheorieën De theorieën over media-effecten die in de jaren ’10-’30 de boventoon voerden worden, retrospectief, injectienaald, stimulus-response of magic bullet-theorieën genoemd, of ook wel universele media-effecttheorieën. Deze benamingen duiden op het idee dat media- effecten snel, direct en automatisch zijn, en voor iedereen gelden. De benamingen zijn samenvattingen van hoe de wetenschap in die tijd dacht.Het is te begrijpen dat men aan het begin van de vorige eeuw dacht dat de invloed van media groot en universeel was. De overtuiging paste goed in het denken over de menselijke aard van die tijd, dat sterk beïnvloed werd door de evolutietheorie van Darwin, die de mens als rationeel, denkend wezen verwerpt. Dit mensbeeld is ook terug te vinden in de wetenschap, gedomineerd door twee stromingen: psychoanalyse en het behaviorisme.Psychoanalyse: verklaart het menselijk gedrag uit universele, onbewuste instincten en seksuele driften waarover de mens zelf geen controle heeft.Behaviorisme: gaat ervan uit dat menselijk gedrag volledig wordt bepaald voor krachten uit de omgeving.
Eerste onderzoek naar media-effecten: Payne-Fundstudies
Eind jaren ’20 was de bioscoopfilm op zijn hoogtepunt. De geluidsfilms waren de nieuwe doorbraak in de massacommunicatie. Vrijwel alle tieners gingen één keer per week naar de bioscoop. Daar kwamen ze in aanraking met een wereld die ver afstond van hun eigen werkelijkheid. Hierdoor ontstond de behoefte aan kennis over de invloed van de films op de jeugd. De Payne-Fundstudies bestond uit twaalf studies die werden uitgevoerd tussen 1929 en 1933. Het initiatief kwam van Willam Short. Hij was ervan overtuigd dat bioscoopfilms grote invloed hadden op de jeugd en dat het bewijs hiervoor alleen geleverd kan worden via empirisch onderzoek.Inhoudsanalyse van bioscoopfilms Filmwetenschappen Dale: analyseerde vijfhonderd bekende bioscoopfilms uit de jaren ’30.Hij probeerde die te groeperen in verschillende thema’s. De drie grootste thema’s noemde
hij “The Big Three”: liefde, misdaad en seks.
Onderzoeker Blumer: ging na hoe vaak en wat kinderen en tieners uit films imiteerden.Kleding en gebaren werden het meest geïmiteerd. Ook kopieerden jongeren regelmatig crimineel gedrag uit de films.Onderzoekers Dysinger en Ruckmick: lieten kinderen, tieners en volwassenen droevige, enge en erotische films zien, in het laboratorium en in de bioscopen. In vergelijking met tieners en volwassenen reageerden de kinderen bijna op alle typen films met meer fysiologische opwinding, behalve op seksfilms. Dit leidde tot meer opwinding bij jongeren vanaf negen/tien jaar.Ook is onderzocht of het kijken naar films de start van de pubertijd vervroegt. Dit is niet zo. 1 / 4
Eerste scheuren in de injectienaaldtheorieën 1.Criminele jongeren laten zich inspireren door filmhelden 2.Hoe sommige meisjes hun seksuele moraal ontlenen uit de ‘zedeloze’ films 3.De invloed van films verschilt per specifiek kind en film 4.Leeftijd 5.Film heeft meer effect op minder intelligente kinderen en kinderen uit gezinnen met een lagere sociale status 6.Films hebben meer invloed op kinderen waarvan de ouders weinig aandacht voor ze hebben en die van zichzelf al een neiging hebben tot crimineel gedrag.De resultaten van de eerste empirische studie naar de effecten van massamedia leverden geen bewijs voor de injectienaaldtheorieën.“War-of-the-Worlds”-onderzoek Het onderzoek van de sociaalpsycholoog Cantril naar aanleiding van het beroemde radiohoorspel The War of the Worlds. Buitenaardse wezens zouden New Jersey verwoesten.Doordat het hoorspel zo echt leek, raakten een miljoen luisteraars in paniek. Cantril vroeg zich af hoe het kon dat sommige luisteraars zo sterk beïnvloed werden en anderen helemaal niet. Het bleek dat vooral religieuze mensen in paniek waren geraakt. Ook hadden deze mensen minder zelfvertrouwen en waren emotioneel minder stabiel. De allerbelangrijkste factor bleek het kritisch vermogen van de luisteraars.Emotionele besmetting: als je bijvoorbeeld een telefoongesprek voert met een vriend die bang is, word je zelf ook extra bang.De studie van Cantril maakt opnieuw duidelijk dat de effecten van media niet universeel zijn, maar sterk afhangen van de mediagebruiker zelf en de context waarin het mediagebruik zich afspeelt.Klappers selectieve-blootstellingtheorie Het boek van Joseph Klapper uit 1960 was de aanleiding om de theorie van de universele effecten te verlaten en te vervangen door de theorie van de selectieve effecten. Klapper ontdekte dat de invloed van media beperkt is. Een mediaboodschap hoeft niet iedereen te bereiken, omdat er onder het publiek niet alleen sprake is van selectieve blootstelling, maar ook van selectieve waarneming, herinnering en verwerking. Volgens Klappers selectieve- blootstellingtheorie willen mensen het liefst in aanraking komen met informatie die past bij hun bestaande voorkeuren en gedrag. Media versterken volgens Klapper bestaande attitudes en gedrag dan dat ze nieuw gedrag veroorzaken.Hedendaagse media-effecttheorieën In de laatste twee decennia erkennen onderzoekers dat kinderen geen passieve en willoze ontvangers van media-effecten zijn.General Aggression Model van Anderson en Bushman: focust zich op de invloed van media op agressief gedrag, maar het is goed bruikbaar om andere soorten media-effecten te begrijpen.Onder media-effecten verstaan we alle veranderingen in kennis, emoties, attitudes en gedrag na contact met een medium of media-inhoud. 2 / 4
Mediagebruik als oorzaak en gevolg Veel onderzoek naar de effecten van media op kinderen gaat ervan uit dat mediagebruik een oorzaak is van veranderingen in kennis, emoties, attitudes en gedrag. Mediagebruik wordt
dan gezien als startpunt van een beïnvloedingsproces: het teweegbrengen van
veranderingen, en die veranderingen noemen we dan media-effecten.Bij moderne media-effect theorieën is mediagebruik ook een gevolg van interne factoren.Ons mediagebruik is een gevolg van onze identiteit. Dit idee is verder uitgewerkt in het differentieel ontvankelijkheidsmodel, waarin gesteld wordt dat het mediagebruik van
kinderen en jongeren voorspeld wordt door drie globale factoren:
1.Dispositie: alle persoonskenmerken die mediagedrag kunnen beïnvloeden
(intelligentie, temperament, motivaties)
2.Leeftijd/ontwikkelingsniveau: per leeftijd kijk je naar verschillende media
3.Sociale omgeving: gezinsleden oefenen grote media-invloed uit op elkaars
mediagebruik.Deze factoren voorspellen niet alleen het mediagebruik van kinderen, maar ze bepalen ook de effecten daarvan op hun kennis, opvattingen, attitudes en gedrag. De drie factoren hebben dus twee verschillende rollen in het beïnvloedingsproces.
1.Voorspeller:
a.Ontwikkeling als voorspeller: kinderen in de pubertijd raken geïnteresseerd in sociale media
b.Sociale omgeving als voorspeller: ouders hebben een grote zeggenschap in de
media die hun kinderen gebruiken.
2.Moderator: een variabele die het effect van het mediagebruik op een andere
variabele verandert
a.Ontwikkeling als moderator: pubers hebben relatief weinig kennis waaraan ze
nieuwe informatie kunnen relateren en zijn daardoor kwetsbaarder voor effecten.
b.Sociale omgeving als moderator: ouders kunnen door bepaalde
opvoedstrategieën de positieve effecten van media verhogen en die van gewelddadige verlagen.Media-effecten zijn niet universeel Een tweede uitgangspunt in hedendaagse theorieën is dat media-effecten niet universeel zijn, maar conditioneel. Ten slotte is in breinonderzoek duidelijk vastgesteld dat individuen verschillend reageren op prikkels in hun omgeving. Als mediagebruik kinderen op verschillende, zelfs tegenovergestelde manieren kan beïnvloeden, betekent dit dat de netto- effecten van dat mediagebruik nooit groot kunnen zijn.
Individuele verschillen: paardenbloemen en orchideeën
De paardenbloemorchideehypothese: stelt dat de meeste kinderen als paardenbloemen zijn: die gedijen in bijna alle mogelijke omgevingscondities. Maar er is ook een kleinere groep kinderen, de orchideeën, die veel mooier kunnen bloeien dan de paardenbloemen, maar uitsluitend als ze in een stimulerende omgeving opgroeien. 3 / 4
Deze differentiële ontvankelijkheidstheorieën hebben wat gemeen. Ze onderzoeken allemaal de interactie tussen enerzijds aanleg en anderzijds één omgevingskenmerk, een medicijn of een opvoedstijl.Media-effecten zijn wederkerig Moderne media-effecten gaan er ten slotte ook van uit dat media-effecten wederkerig zijn.Mediagebruik heeft effect op kinderen, maar die effecten beïnvloeden ook weer hun mediagebruik. Kinderen creëren net zo goed als volwassenen hun eigen media-effecten.Twee stromingen in het jeugd-en-mediaonderzoek
1. Mediapsychologie:
Mediapsychologische onderzoekers richtten zich in de jaren ’60 vooral op het vaststellen van effecten van televisiegeweld op agressief gedrag. Albert Bandura was één van de eerste onderzoekers naar deze effecten. Zijn observationele leertheorie, gaat ervan uit dat kinderen
op twee manieren gedrag aanleren:
1.Via directe ervaringen 2.Observeren van het gedrag van anderen Bandura werd vooral geïnspireerd door het behaviorisme. In de late jaren ’70 verliet hij zijn behavioristische idee over media-effecten. In deze tijd stond er binnen de communicatiewetenschap en de psychologie een grote nadruk op de actieve rol van het kind. Dit kan verklaard worden door de opkomst van de uses-and-gratifications-traditie in de communicatiewetenschap, die ervan uitgaat dat mediagebruikers, inclusief kinderen, actief en selectief zoeken naar informatie en entertainment om bepaalde behoeften te bevredigen. Aan de andere kant kan dit verklaard worden door de nieuwe aandacht voor het actieve kind en de opkomst van de cognitieve psychologie, die het behaviorisme als de dominante school verving.Cognitieve psychologen onderzoeken hoe kinderen en volwassenen informatie verwerven, organiseren, onthouden en gebruiken om hun gedrag te sturen. In tegenstelling tot de behavioristen hebben zij veel aandacht voor de manier waarop interne cognitieve processen het effect van informatie vanuit de omgeving kunnen vergroten, verkleinen of veranderen.
Jean Piaget: een bekende Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog die de
ontwikkelingspsychologie beïnvloedde van de jaren ’70. Hij probeerde het gedrag van kinderen te verklaren met specifieke hypothesen over hun interne cognitieve structuren, schema’s genoemd. Hij ging ervan uit dat kinderen deze schema’s gebruiken om de wereld om zich heen te begrijpen. Er kwam meer oog voor variabelen als aandacht, begrip en herinneringen van media-inhoud. Er kwam ook systematischer aandacht voor ontwikkelingsverschillen in het verwerken van educatieve media, reclame en mediageweld.Zo ontstond er onderzoek naar de vraag hoe het cognitieve niveau van kinderen hun vermogen beïnvloedt om de persuasieve intentie van reclame te doorzien.
- Cultural studies
- / 4
Deze studies ontstonden midden jaren ‘6o in het Verenigd Koninkrijk. De studies houden zich bezig met alledaagse of populaire cultuur en maken daarbij gebruik van methoden en theorieën uit verschillende wetenschapsgebieden, waaronder de letteren, geschiedenis, sociologie en culturele antropologie. De oorsprong van deze studie is gebaseerd op de