• wonderlic tests
  • EXAM REVIEW
  • NCCCO Examination
  • Summary
  • Class notes
  • QUESTIONS & ANSWERS
  • NCLEX EXAM
  • Exam (elaborations)
  • Study guide
  • Latest nclex materials
  • HESI EXAMS
  • EXAMS AND CERTIFICATIONS
  • HESI ENTRANCE EXAM
  • ATI EXAM
  • NR AND NUR Exams
  • Gizmos
  • PORTAGE LEARNING
  • Ihuman Case Study
  • LETRS
  • NURS EXAM
  • NSG Exam
  • Testbanks
  • Vsim
  • Latest WGU
  • AQA PAPERS AND MARK SCHEME
  • DMV
  • WGU EXAM
  • exam bundles
  • Study Material
  • Study Notes
  • Test Prep

Hoofstuk 2: Biologische eenheid

Class notes Dec 27, 2025 ★★★★★ (5.0/5)
Loading...

Loading document viewer...

Page 0 of 0

Document Text

Hoofstuk 2: Biologische eenheid

Een cel is een levende eenheid. Cellen groeien en delen. Ze hebben voeding nodig en scheiden afval af. Veel cellen kunnen ook bewegen. Voor al die acties hebben cellen speciale structuren, organellen genaamd.Organel betekent letterlijk klein orgaan.Plantencellen en dierlijke cellen bevatten zeer veel verschillende organellen. Bacteriën zijn een stuk eenvoudiger. Deze hebben geen andere organellen dan een celmembraan en een celwand.Het celmembraan is de scheiding tussen de binnen- en buitenkant van een cel. Het celmembraan is een soort dun vliesje dat de binnenkant van de cel, het celplasma, omsluit. Celplasma is een soort dikke vloeistof waarin de organellen liggen. Door de celmembraan blijven nuttige stoffen in de cel en worden schadelijke stoffen tegengehouden. Een andere functie van het celmembraan is transport. De celmembraan bevat veel kanalen die open en dicht kunnen. Via die kanaaltjes komen nuttige stoffen de cel in.Afvalstoffen kunnen de cel verlaten via deze kanaaltjes.De cellen van bacteriën, schimmels en planten hebben buiten de celmembraan ook nog een dik omhulsel dat de cel stevigheid geeft. Dit is de celwand. Dierlijke cellen hebben geen celwand.De celkern is de bibliotheek waar erfelijke informatie ligt. Erfelijke informatie wordt opgeslagen in de vorm van DNA. DNA is een lange keten van zeer kleine bouwstenen die in chromosomen ligt opgevouwen.Stukken uit die DNA-keten zijn genen. Genen zijn instructies voor wat er in een cel gebeurt.Voor het groeien, delen of reageren op de omgeving is in een cel energie nodig. Het mitochondrion zorgt hiervoor. Het voedsel dat we eten levert de brandstof. Het mitochondrion zet de brandstof om in energiepakketjes voor organellen.De vacuole is een blaasje gevuld met water. De vacuole is een soort opslagruimte voor de cel voor het bewaren van nuttige of juist schadelijke stoffen. Dierlijke cellen hebben vaak geen of enkele kleine vacuolen.Plantencellen hebben vaak één grote vacuole die de hele cel vult. Bij plantencellen spelen vacuolen ook een belangrijke bij de stevigheid van de cel.Planten kunnen energie halen uit zonlicht. Plantencellen hebben daarvoor een extra soort organellen, namelijk bladgroenkorrels. Deze korrels zorgen ook voor de groene kleur van bladeren en stengels van planten.Bladgroenkorrels gebruiken koolzuurgas en water. Ze zetten dit om in voedingsstoffen voor de plant. Zonlicht levert de energie voor deze omzetting. Dit proces heet fotosynthese.Een orgaan is een onderdeel van een organisme. Elk orgaan is opgebouwd uit weefsels. Elk weefsel bestaat uit gelijksoortige cellen. Organen werken 1 / 4

samen in orgaanstelsels. Het bloedvatenstelsel bestaat uit aders, slagaders, het hart en het bloed. Samen zijn deze organen in staat stoffen door het hele lichaam te vervoeren. Door de samenwerking tussen organen kunnen organismen functioneren.Planten hebben organen en orgaanstelsels. De belangrijkste orgaanstelsels van planten zijn het voorplantingsstelsel (voortplantingsorgaan is de bloem), transportstelsel (transport van afvalstoffen en nuttige stoffen loopt door de vaten in de stengels) en het ademhalingsstelsel (dit gaat bij planten via huidmondjes, deze huidmondjes liggen vaak op of onder het blad en soms ook op de stengel).Een organisme is een levend wezen. Een soort is een groep organismen die (meestal) op elkaar lijken, zich met elkaar kunnen voortplanten en vruchtbare nakomelingen krijgen. Alle organismen zijn opgebouwd uit cellen. Op basis van de verschillen in bouw kunnen we de miljoenen

soorten organismen indelen in vijf grote groepen: de vijf rijken van het

leven.

1.Bacteriën: één cel, cel zonder organellen.

2.Eencelligen: één cel, cel met organellen.

3.Schimmels: één of meer cellen, cel met organellen: celwand, géén bladgroenkorrels.

4.Planten: meer cellen, cel met organellen: celwand en bladgroenkorrels.

5.Dieren: meer cellen, cel met organellen: géén celwand of bladgroenkorrels.Bacteriën Dit zijn de kleinste organismen die we kennen. Bacteriën hebben geen celkern en hierdoor ligt het DNA los in het celplasma. Bacteriën planten zich voort door deling. Als een moedercel deelt ontstaan er twee dochtercellen. Bacteriën komen overal op aarde voor.Eencelligen Het erfelijke materiaal ligt opgeslagen in een celkern en de mitochondriën leveren de energie. Eencelligen lijken veel meer op cellen van planten en dieren dan op die van bacteriën.De cel van een pantoffeldiertje lijkt op een dierlijke cel. Algen kunnen eencellige zijn of meercellig. De eencellige algen worden gerekend onder de eencelligen de meercellige algen rekenen we onder de planten. Wat algen kunnen is net als planten energie halen uit zonlicht. Ze hebben hiervoor bladgroenkorrels in hun cel.Schimmels Schimmels zijn meercellige organismen. Hun cellen hebben verschillende organellen, waaronder een dikke celwand. Schimmels hebben geen 2 / 4

bladgroenkorrels en voeden zich met andere organismen of resten daarvan.Paddenstoelen zijn ook schimmels, of beter gezegd de vruchten van schimmels. Onder de paddenstoel bevindt zich een uitgestrekt netwerk

aan schimmeldraden: het mycelium.

Planten De belangrijkste eigenschap van planten is fotosynthese. Hierbij gebruiken planten de energie uit zonlicht voor het maken van voedingstoffen. Ze hebben daarvoor geen andere organismen nodig. Alle planten zijn meercellig. Het rijk van planten is onderverdeeld op basis van kenmerken van organismen

1.Algen en wieren: hebben geen bladeren of stengels, ook hebben

ze geen vaten. Algen en wieren planten zich voort doormiddel van sporen. Algen zijn plantachtige organismen die in het water groeien.

2.Mossen: wel bladeren en stengels, maar geen vaten. Mossen

planten zich voort doormiddel van sporen. Mossen zijn planten die je alleen vindt op vochtige plaatsen. Het vocht hebben ze nodig voor de verspreiding van hun sporen, dit zijn de voortplantingscellen die kunnen uitgroeien tot een nieuw organisme. Mossen hebben geen vaatbundels waarmee ze water en voedingsstoffen door de plant kunnen verspreiden hierdoor worden mossen vaak niet groter dan 10 centimeter.

3.Varens en paardenstaarten : wel bladeren en stengels, ook

hebben ze vaten. Ze planten zich voort doormiddel van sporen.

4.Naaktzadigen (naaldbomen) : wel bladeren en stengels, ook

hebben ze vaten. Ze planten zich voort doormiddel van zaden.Naaktzadigen heten zo omdat de zaden niet in een vrucht zitten.Naaktzadigen hebben geen vruchten of bloemen. Bij een dennenappel ligt een zaadje achter elk schubje. Als dit zaadje op een geschikte plek terecht komt kan het uitgroeien tot een volwassen organisme.

5.Bedektzadigen (planten met bloemen) : wel bladeren en

stengels, ook hebben ze vaten. Ze planten zich voort doormiddel van zaden. Een vrucht bedekt een of meer zaden, denk aan een appel of een tomaat. Hier komt de naam bedektzadigen vandaan.Alleen de groep bedektzadigen heeft bloemen. In de bloem vindt de bevruchting plaats.Dieren Dieren zijn meercellige organismen. In tegenstelling tot planten hebben dieren anderen organismen nodig als voedsel. Dierlijke cellen hebben geen bladgroenkorrels en ook geen celwand.Je kunt dieren onderverdelen in verschillende groepen. Zo kun je bijvoorbeeld kijken naar het type skelet van een dier. Sommige hebben geen skelet, andere hebben een uitwendig of inwendig skelet. Dieren met een inwendig skelet worden gewervelden genoemd. 3 / 4

Een ander belangrijk verschil kan zijn of dieren symmetrie hebben.Symmetrie wil zeggen dat een organisme door twee helften is te delen, waarbij de helften elkaars spiegelbeeld zijn. Bij veel dieren kun je maar op één manier symmetrie krijgen. Dit heet tweezijdig symmetrisch. Bij andere dieren kan dit op meerdere manieren, zoals kwallen zeesterren en koralen.Dit heet veelzijdig symmetrisch. Sponzen zijn niet symmetrisch.

1.Sponzen: hebben een skelet van naalden, zijn NIET symmetrisch,

zijn waterdieren zonder echte organen. Voorbeeld badspons. Een spons filtert voedseldeeltjes uit het water.

2.Neteldieren/holtedieren : geen, soms een uitwendig skelet, zijn

veelzijdig symmetrisch, waterdieren met netelcellen en eenvoudige organen. Voorbeeld kwal en anemoon. Belangrijkste kenmerk van een neteldier zijn de netelcellen. Hiermee verdedigen ze zichzelf en vangen ze prooien. Neteldieren hebben tentakels die rond een opening zitten. De tentakels bewegen voedsel naar die opening welke uitkomt in een eenvoudige maag.

3.Wormen: geen skelet, zijn tweezijdig symmetrisch, langwerpig

lichaam met kop en staart. Voorbeeld regenworm en lintworm.

4.Weekdieren: inwendige of uitwendige schelp, zijn tweezijdig

symmetrisch, zacht lichaam, vaak een schelp. Voorbeeld huisjesslak, octopus. De schelp gebruiken ze vaak om hun zachte lichaam te beschermen.

5.Geleedpotigen: uitwendig skelet, tweezijdig symmetrisch,

segmenten. Voorbeeld spin, vlinder, kreeft. Het lichaam van een geleedpotigen bestaat uit een hard pantser. Dit pantser beschermt de dieren. De grote groep geleedpotige bestaat uit verschillende kleinere groepen. Om deze groepen te herkennen is het, het gemakkelijkst om pootjes te tellen. Insecten hebben drie paar poten (dus zes pootjes) en een paar vleugels. Insecten halen adem doormiddel van tracheeën, dit zijn openingen aan de zijkanten van hun lichaam. Spinnen hebben vier paar poten. Kreeftachtigen hebben vijf tot zeven pootjes.

6.Stekelhuidigen: inwendig skelet dat door de huid uitsteekt,

veelzijdig symmetrisch, zuignapjes en stekelige huid. Voorbeeld zeester.

7.Gewervelden: inwendig skelet met wervelkolom, tweezijdig

symmetrisch. Voorbeeld slang, snoek, koe.Dieren zonder wervelkolom zijn ongewervelden. De groep ongewervelden

dieren is groot: sponzen, neteldieren, wormen, weekdieren, geleedpotigen

en stekelhuidigen.

Koraaldieren hebben een bijzondere eigenschap: ze maken een uitwendig

skelet aan van kalksteen. Als het ene diertje sterft groeit er weer een nieuwe bovenop. Dat weer een nieuw skelet bouwt. Zo ontstaat koraalrif.Gewervelden kunnen we weer onderverdelen in aparte groepen:

  • / 4

User Reviews

★★★★★ (5.0/5 based on 1 reviews)
Login to Review
S
Student
May 21, 2025
★★★★★

The comprehensive coverage offered by this document helped me ace my presentation. A impressive purchase!

Download Document

Buy This Document

$1.00 One-time purchase
Buy Now
  • Full access to this document
  • Download anytime
  • No expiration

Document Information

Category: Class notes
Added: Dec 27, 2025
Description:

Hoofstuk 2: Biologische eenheid Een cel is een levende eenheid. Cellen groeien en delen. Ze hebben voeding nodig en scheiden afval af. Veel cellen kunnen ook bewegen. Voor al die acties hebben cell...

Unlock Now
$ 1.00