Inhoudsopgave
Hoorcollege 1: Geschiedenis
De geschiedenis van de seksuologie: een kennismaking
In pursuit of pleasure: een biopsychosociaal perspectief op seksueel plezier en gender
Hoorcollege 1: Geschiedenis (klinische) seksuologie & onderzoek
Hoorcollege 2: Biologie
De Biologie van Seksualiteit
Hoorcollege 2: Biologisch perspectief op seksualiteit
Hoorcollege 3: Seks en trauma
Posttraumatische stresstoornis en seksuele problemen na seksueel geweld
Hoorcollege 3: Seks en trauma
Hoorcollege 4: Psychologie
H5: Psychologische benaderingen van seksualiteit
Aantekeningen hoorcollege 4: Psychologisch perspectief op seksualiteit
Hoorcollege 5: Parafilie
H12 Parafilieën
Aantekeningen hoorcollege 2: Parafilieën
Hoorcollege 6: Seksuele disfuncties
21.1 Seksuele disfuncties
Aantekeningen hoorcollege 6: Seksuele disfuncties
Take Home Messages herhaald
- / 4
Hoorcollege 1: Geschiedenis
College 1 en 4 (geschiedenis en psychologisch perspectief): hierbij is het belangrijk dat je de belangrijkste theorieën, kernbegrippen en de essentie van elke theorie kent. Gebruik de colleges vooral om hoofd- en bijzaken te onderscheiden.
De geschiedenis van de seksuologie: een kennismaking
Inleiding Rond 1900 ontstond in de westerse wereld een grote belangstelling voor seksualiteit, vooral onder joodse medici, meestal Duitse psychiaters. Richart von Krafft-Ebing publiceerde het boek Psychopathia Sexualis (1886), waarin hij seksuele afwijkingen beschreef. Dit werd het meest gezaghebbende medisch-seksuologische handboek en is een voorbeeld van de overgang van een religieus-morele en juridische, naar een medisch-psychiatrische en psychologische benadering van seksualiteit. De norm bleef nog heteroseksuele coïtus (binnen het huwelijk).Volgens Sigmund Freud is seksualiteit een biologisch instinct dat gelabeld wordt met de term ‘libido’. Hierbij is het seksuele object de persoon tot wie we ons aangetrokken voelen, en het seksuele doel is de handeling waartoe we ons gedreven voelen. Volgens Freud is er een seksueel ontwikkelingsproces bestaand uit drie fasen: (1) de pregenitale fasen (orale, anaal- sadistische en fallische fase); (2) de latentiefase, en (3) de genitale fase.
2.1 Casuïstiek In het begin van de seksuologie waren gedetailleerde ziektegeschiedenissen en de subjectieve beleving van patiënten belangrijk voor de begrips- en theorievorming. Hierop baseerde Krafft-Ebing de Psychopathia sexualis. Haeberle was hier negatief over, en zei dat de seksuele uitingen meestal toegeschreven werden aan degeneratie; het proces dat lichaam, brein en geest ziek maakt als gevolg van negatieve omgevingsinvloeden.
2.2 De geboorte van de seksuologie Iwan Bloch publiceerde Das Sexualleben unserer Zeit in 1906, met daarin voor het eerst het idee van de seksuologie als een eigen wetenschappelijke onderneming. Sindsdien heeft de seksuologie zich ontwikkeld tot een pluriforme en complexe interdiscipline.
2.3 De eerste ontwikkelingen van de seksuologie als wetenschap In 1908 verscheen het eerste seksuologische wetenschappelijke maandblad, Zeitschrift für Sexualwissenschaft, al was deze niet erg succesvol. In 1913 werden twee seksuologische verenigingen opgericht: Arztliche Gesellschaft für Sexualwissenschaft und Eugenik (Hirschfeld, Bloch en Alfred Eulenburg), en Internationale Gesellschaft für Sexualforschung (Albert Moll). In 1919 opende het eerste seksuologische onderzoeksinstituut, het Institut für Sexualwissenschaft, dat in 1933 verwoest werd door de nazi’s. Het instituut beoogde een onderzoeks,- preventie,- en hulpverleningscentrum te zijn.Hirschfeld was democratisch en socialistisch en wilde seksuele vrijheid, emancipatie en tolerantie bewerkstelligen. Moll vond dat de seksuologische wetenschap niet tegen het Duitse 2 / 4
keizerrijk in mocht gaan en wilde dus conformistische seksuologie. In 1926 organiseerde Moll het eerste International Congress for Sex Research. In 1928 stichtten Hirschfeld en Leunbach de Weltliga für Sexualreform, met als doel het tot stand brengen van een wereldwijde beweging voor seksuele hervorming, maar deze Liga viel uit elkaar door onenigheid tussen de bestuursleden. In 1933 moesten de pioniers het land uit vluchten door Hitler en de nazi’s.
2.4 De wederopbouw van de seksuologie na de Tweede Wereldoorlog Na WOII werd de leidende rol overgenomen door Amerikaanse wetenschappers. Er was hierbij sprake van een interdisciplinaire uitbreiding (medici, biologen, psychologen en sociologen).In 1947 stichtte Alfred Kinsey het Institute for Sex Research. Hij interviewde samen met zijn collega’s meer dan 16.000 (vooral witte) mensen om het gat in de wetenschappelijke kennis over seksualiteit op te vullen. In deze interviews bespraken ze de seksuele levensloop van de geïnterviewden. De studies Sexual behavior in the human male en Sexual behavior in the human female werden bestsellers, aangezien hieruit bleek dat het seksgedrag van de Amerikaanse bevolking anders was dan ze wilde laten lijken (bijv. 68,7% van de mannen had ervaring met prostitutie).De visie van Kinsey en collega’s op (ab)normaliteit was vernieuwend; ze vonden dat abnormaliteiten niet per se psychopathologie zouden betreffen, maar dat het aan de reactie van de samenleving op de abnormaliteiten van het individu zou liggen dat het individu personality disturbances zou ervaren.Een theoretische vernieuwing van Kinsey en collega’s was de Kinsey-schaal: een zevenpuntsschaal om de seksuele oriëntatie te meten (0=exclusief heteroseksueel, 6=exclusief homoseksueel). De positie op de schaal wordt bepaald aan de hand van de proportie heteroseksueel/homoseksueel feitelijk gedrag en psychische beleving.In 1948 publiceerde Frank Beach Hormones and behavior, waarmee hij de grondlegger van de gedragsendocrinologie (de studie van de samenhang tussen hormonen en (seksueel) gedrag bij mens en dier) werd. Beach stelde dat mensen als hooggeëvolueerde diersoort minder beïnvloed zouden worden door geslachtshormonen dan lagere zoogdieren en daardoor sterker ontvankelijk zou zijn voor culturele beïnvloeding. Ford en Beach stelden vast dat er grote interculturele verschillen waren in de vormgeving/bejegening van het seksuele.John Money deed onderzoek naar de ontwikkeling van genderidentiteit bij kinderen met intersekseproblematiek. Money introduceerde in 1955 met collega’s het begrip gender: ‘by the term, gender role, we mean all those things that a person says or does to disclose himself or herself as having the status of boy or man, girl or woman, respectively. It includes, but is not restricted to sexuality in the sense of eroticism’. In hun boek Man and woman, boy and girl schreven Money en Ehrhardt over de ontwikkeling van sekse, genderidentiteit en genderrol vanuit een multifactorieel en interactioneel perspectief. Sekse, gender en genderverschillen werden een belangrijk kernpunt van de seksuologie.Masters en Johnson publiceerden de standaardwerken Human sexual response (1966) en Human sexual inadequacy (1970). De seksuele responscyclus die ze beschreven bestaat uit vier fasen: opwinding, plateau, orgasme, en herstel/ontspanning. Deze fasen kunnen door psychologische inhibities verstoord worden. Voor hun onderzoek observeerden ze vrijende 3 / 4
mensen in het laboratorium. Ze legden de basis voor de sekstherapie, wat als doel had de ‘natuurlijke seksuele respons’ te doen optreden door middel van gedragsopdrachten bestaande uit drie stappen: (1) niet-genitaal strelen, (2) strelen, inclusief de genitalia en (3) coïtushouding en beweging. Dit was een twee weken durende intensieve behandeling bedoeld voor stellen. De seksuele partner was volgens Masters en Johnson een essentiële factor. Voor mannen met disfunctie zonder parter ontwikkelden ze de rol van surrogaatpartner: een vrouw die gedurende de behandeling optrad als partner. Voor vrouwen werd dit niet geregeld aangezien de ‘seksuele effectiviteit’ van vrouwen volgens Masters en Johnson niet noodzakelijk was voor de voortplanting en omdat vrouwen meer behoefte hebben aan warmte en expressie van wederzijdse emotionele reacties. Masters en Johnson rapporteerden hoge succespercentages op de korte èn lange termijn.Helen Singer Kaplan stelde voor een fase van verlangen toe te voegen aan de seksuele responscyclus. Daarnaast wilde ze psychodynamische zienswijzen integreren met de gedragstherapeutische sekstherapie. Ze maakte onderscheid tussen nabije (binnen de seksuele interactie zelf) en verre (een psychopathologisch verlopen ontwikkeling of partnerrelationele problematiek) oorzaken van seksuele disfuncties.Lonnie Barbach ontwikkelde groepstherapieën voor vrouwen en een zelfhulpprogramma voor vrouwen met orgasmeproblematiek. Hierbij lag de focus op masturbatie en konden ook vrouwen zonder partner meedoen (slay Lonnie). Zilbergeld ontwikkelde zoiets voor mannen.In 1974 besliste de APA dat homoseksualiteit niet langer een mentale stoornis was. Dit onderstreept hoe belangrijk het debat over wat (ab)normaal is binnen de seksuologie is.‘Normale seks’ was niet langer seks met voortplanting als gevolg/doel, maar seks met instemming. De homoaffirmatieve hulpverleing kreeg hier een sterke impuls door.
2.5 De periode 1973-2000: constructionisme versus medicalisering en biologisering John Gagnon en William Simon publiceerden in 1973 hun boek Sexual conduct: The social sources of human sexuality, waarin ze de theorie van het seksuele instinct verwierpen.Volgens hen is seksueel gedrag sociaal (rol)gedrag dat door middel van cultureel bepaalde scripts tot stand wordt gebracht. Volgens Gagnon en Simon hebben die scripts twee dimensies: een interpersoonlijke en een intrapsychische. Seksueel gedrag is dus sociaal gemaakte betekenisgeving aan biologische (opwindings)mogelijkheden.Kort hierna verschenen vier boeken die seksualiteit niet als biologische drift zien, maar als een sociaal-maatschappelijk product, dat tot stand wordt gebracht en gereguleerd door maatschappelijke macht en de dreiging met seksueel geweld. Susan Brownmiller stelde in haar boek dat verkrachting een sociale strategie was die door de dominante mannencultuur gebruikt werd om vrouwen zich te laten schikken in hun sociaal minderwaardige positie.Michael Foucault stelde dat het seksuele in een samenleving gemaakt wordt door de machtsverdeling die bepaalt welke verhalen dominant zijn en hoe deze verhalen het gedrag van mensen reguleren. Kenneth Plummer stelde dat seksuele identiteiten opgebrouwd worden door individuen door zich te positioneren ten opzichte van de sociale regels/normen over seksueel gedrag, en dat seksuele deviantie geen natuurlijk gegeven is, maar een consequentie van specifieke sociale regels die in een samenleving bepalen wat (ab)normaal is. Shere Hite deed enquêteonderzoek en vond dat slechts eenderde van de vrouwen een orgasme krijgt bij coïtus.
- / 4