Hoorcollege 1: inleiding
Wetenschappelijke cyclus
1.Observatie: je ziet iets/merkt iets op. Op basis hiervan wordt je
nieuwsgierig hoe iets in elkaar zit
2.Indcutie: op basis van je ervaringen tot een wetmatigheid/hypothese
komen; bottom up, vaak kwalitatieve onderzoeken.
3.Deductie: formuleren van toetsbare hypothese (van theorie naar
hypothese)
4.Toetsen: toetsen van hypothese d.m.v. experiment
5.Evaluatie: gegevens n.a.v. toetsing evalueren
Onderzoekscyclus
-Conceptualiseren: fase waarin je gaat nadenken over het onderwerp van
het onderzoek
-Inrichten: opzet van het onderzoek bedenken
-Uitvoeren: data verzamelen, interpreteren en analyseren
Onderzoeken in de praktijk: de pijlers
-Drie componenten voor praktijkgestuurd onderzoek oOnderzoekscyclus oPersoon met kennis en kunde oContext waarbinnen de cyclus doorlopen kan worden
Persoon en context dienen over een aantal benodigdheden te beschikken:
-Belang: voordeel
-Bereid: willen
-Bekwaam: kunnen
-Beschikbaarheid: hebben
-Benutting van resultaten: verandering 1 / 4
De persoon als onderzoeker -Intuïtief practicus: heeft niet veel met theorie, staat in de praktijk en gaat vanuit ervaring aan de slag. Heeft wel kennis, maar dit is ervaringskennis.
-Reflectief-practicus: systematisch reflecteren op handelen en afvragen
waarom hij de dingen doet zoals hij doet
-Practicus-onderzoek (scientist-practitioner): iemand die onderzoek doet
en dit in de praktijk brengt. Kennis inzetten in je handelen. Verschillende manieren om kennis in te zetten: intuïtief, reflectief, mechanistisch. Raakvlak maken tussen theorie en praktijk, koppelen/verbinden met elkaar
-Evidence based practicus: laat zijn handelen leiden door wetenschappelijke
kennis. Hij volgt de richtlijnen en protocollen die op basis daarvan zijn opgesteld. Ook de praktijk speelt een rol.
-Klinisch wetenschapper : heeft niks met de praktijk, heeft de praktijk alleen
nodig om data te verzamelen om vervolgens theorieën en modellen te ontwikkelen.
Kwantitatief onderzoek: over het algemeen een gesloten vraagstelling die
bedoeld is om na te gaan in welke mate iets voorkomt, of om bepaalde vooropgestelde hypothesen te toetsen.
Kwalitatief onderzoek: over het algemeen een open vraagstelling waarmee
nieuwe kennis op gedaan wordt.Kwalitatief Kwantitatief OntdekkenVoorspellen Weinig theoriegestuurdSterk theoriegestuurd Betekenis verlenendToetsend SubjectiefObjectief Data in woordenData in cijfers Meestal kleinschaligMeestal grootschalig Representatief qua inhoudRepresentatief qua onderzoeksgroep 2 / 4
CyclischLineair
Hoorcollege 2: conceptualiseren
Probleemstelling
-Probleemstelling: vaststellen van het probleem
-Er ontstaat een probleem als dat wat je ziet/waarneemt verschilt van hoe je
het eigenlijk had willen zien, m.a.w.: discrepantie tussen feitelijkheid en
wenselijkheid Doelstelling
-Doelstelling in een onderzoek: het beoogd resultaat
-Doelstelling van een onderzoek: de beoogde benutting
-Bij praktijk gestuurd onderzoek is er vaak sprake van instrumentele
benutting: de resultaten van het onderzoek kunnen instrumenteel benut
worden. Er kan letterlijk iets mee gedaan worden -Bij theorie gestuurd onderzoek is er vaak sprake van conceptuele
benutting: dit kan leiden tot een verandering in ons denken
Type benutting Gericht opLeidt tot Instrumentele benutting Beoordeling en verbetering Stoppen of doorgaan verbeteracties Conceptuele benutting Kennisvermeerdering Verandering in denken Vraagstelling
-Descriptieve vragen (beschrijvende vragen): onderzoeksvragen naar
feitelijke beschrijving van de werkelijkheid
-Normatieve vragen: onderzoeksvragen waaraan een waardeoordeel ten
grondslag ligt.
-Correlationele vragen (correlatieve vragen): onderzoeksvragen naar
samenhang, verbanden en/of relaties
-Impact vragen: onderzoeksvragen naar causale verbanden. Duidelijk
onderscheid maken tussen oorzaak en gevolg.Conceptueel model
Conceptueel model: schematische weergave van de relevante kernconcepten
(variabelen) en de verwachte onderlinge relaties tussen die kernconcepten (hypothesen).
-Correlationele vragen: hangt prestatiedruk samen met stress?
-Impact vragen: is FoMo van invloed op de mate waarin de student sociale
media gebruikt?
-Afhankelijke variabele: de te verklaren variabele (vermoedelijke gevolg).
Staat op Y-as.
-Onafhankelijke variabele: de verklarende variabele (vermoedelijke
oorzaak). Staat op X-as.
oMeerdere onafhankelijke variabelen: 3 / 4
Mediatie: mogelijke samenhang tussen twee kenmerken, verloopt via een derde
kenmerk (interveniërende variabele). Deze kan onafhankelijk of afhankelijk zijn.
-Onderzoeksvraag: wordt de samenhang tussen lichaamstevredenheid en de
mate waarin de student geluk ervaart verklaard door de mate van zelfvertrouwen?
Moderatie: samenhang tussen twee kenmerken is niet voor iedereen hetzelfde.
Er kunnen twee verschillende groepen onderscheiden worden, waarbij voor de ene groep de samenhang zwak is en voor de andere groep sterk.
-Moderator variabele: onafhankelijke variabele.
-Onderzoeksvraag: is de samenhang tussen prestatiedruk en stress afhankelijk
van het geslacht van de student?Variabelen
Variabele: kenmerk dat een onderzoekselement toegeschreven wordt. Van
iedere variabele moet een theoretische definitie worden gegeven.
-Onderzoekselement: degene op wie het kenmerk betrekking heeft
-Kwalitatieve variabelen (categorische/nominale variabelen): waarden
die worden gebruikt om categorieën aan te duiden/onderscheid te maken tussen groepen.
-Kwantitatieve variabelen: waarden die een hoeveelheid aanduiden (je kan
ermee rekenen) -Theoretische definitie: Een abstracte beschrijving van een variabele: wat wordt met de variabele bedoeld?-Operationele definitie: Een concrete beschrijving van de variabele: hoe wordt de variabele gemeten, waargenomen of gemanipuleerd?Hypothesen
-Hypothese: verwachte relatie tussen variabelen; uitspraak hoe er verwacht
wordt dat twee variabelen samenhangen.
- / 4