Uitleg 1 e
, 3
e en 4 e naamval In het Duits kennen we naamvallen. Schrik niet van deze woorden, het zijn andere woorden voor
zinsdelen. Dat ziet er als volgt uit:
1 e naamval = onderwerp 3 e naamval = meewerkend voorwerp 4 e naamval = lijdend voorwerp Er zijn verschillende manieren om erachter te komen met welke naamval (= zinsdeel) te maken hebt. Wij gebruiken er twee. 1.Ontleden 2.Vaste voorzetsels We gaan deze twee manieren nader uitleggen. 1.Ontleden Ontleden van zinsdelen in het Duits, werkt op dezelfde manier als in het Nederlands. Er zijn vaste
vragen voor elk zinsdeel te gebruiken. Dit zijn ze:
Onderwerp = wie/wat + persoonsvorm (=gezegde)? Meewerkend voorwerp = aan/voor wie? Lijdend voorwerp = wie/wat + persoonsvorm + onderwerp Bovenstaande vragen kun je dus gebruiken om te ontleden. We geven een paar voorbeelden: Ik krijg mijn zakgeld altijd op zaterdag. Ich bekomme mein Taschengeld immer am Samstag. Wie/wat krijgt? ich (=onderwerp) Wie/wat krijg ik? mein Taschengeld (=lijdend voorwerp) De leraar legt ons uit, wat we moeten doen. Der Lehrer erklärt uns, was wir tun müssen. Wie/wat legt uit? der Lehrer (=onderwerp) Aan/voor wie? uns (=meewerkend voorwerp)
- / 1