INLEIDING COMMUNICATIE
TENTAMEN 1 - HERKANSING
De Communicatieprofessional:
Hoofdstuk 1.2 Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 12 Hoofdstuk 13 Hoofdstuk 18.1 Hoofdstuk 23 en kader 26.2
Het PR-plan:
Hoofdstuk 1 Hoofdstuk 7 Hoofdstuk 8 Hoofdstuk 9
- / 4
HOOFDSTUK 1
Het werk van de communicatieprofessional
Wat is communicatie?Een proces waarbij informatie wordt overgedragen
Communicatieprofessional:
Is iemand die werk maakt van aantoonbare kennis en ervaring in communicatiemanagement en die gedreven is in het sturen van hoe, waar en wanneer de organisaties communiceren.
Communicatiemanagement:
Betreft het starten, sturen en ondersteunen van communicatie voor een organisatie. (paid media, owned media & earned media)
Van Ruler (2012) onderscheidt in communicatiemanagement de volgende normatieve
(richtinggevende) scholen van denken:
-De informationele benadering (via het informatiemodel): gericht op informeren door overdracht van kennis en informatie naar een luisterend publiek via een heldere boodschap.-De persuasieve benadering (via het overredingsmodel): gericht op het overtuigen van gewillige doelgroepen via een verkoopbare boodschap.-De relationele benadering (via het interactiemodel): gericht op onderling begrip, met ruimte voor meningsvorming.-De interpretatieve benadering (via het relatiemodel): gericht op gedeelde meningen (consensus) en belangen.-De kritische benadering (via het reflectief en overkoepelend model): gericht op maatschappelijke legitimatie door benutting van bovenstaande vier benaderingen.Bovenstaande benaderingen bieden ieder een strategie waarmee de organisatie een doel kan bereiken. In welke situatie welke benadering het beste past hangt af van de context; de omstandigheden en gesteldheid van individu of groep. De communicatieprofessional kan zich daartoe afvragen: Wat is de verhouding tussen betrokkenen? Wat zijn de intellectuele en culturele verschillen tussen betrokkenen? Wat is de tijdsdruk? Wat is het belang van het onderwerp?De driedeling kennis, houding en gedrag komt oorspronkelijk uit het oude Griekenland.Plato en Aristoteles maakten onderscheid tussen verschillende delen van de ziel en hun
functies. In de moderne tijd is dit vertaald naar:
1.Kennis (Cognitie):
Weten en begrijpen. Bijvoorbeeld, weten dat een product of dienst bestaat en wat het doet. Naamsbekendheid is een eerste stap in het meten van kennis.
Varianten:
-Naamsbekendheid -Breinpositie verwerft
- / 4
2.Houding (Affectie): wordt ook wel attitude genoemd
Hoe je denkt en voelt over iets. Dit kan positief of negatief zijn. Het gaat om de mening of het beeld dat mensen hebben over een onderwerp.
Varianten:
-Imago -Reputatie -Betrokkenheid (engagement)
3.Gedrag (Conatie): Wat je doet. Dit omvat acties zoals het kopen van een product of het vertonen van bepaald gedrag.
Varianten:
-Gedragsmetingen -Onbewust
In de communicatiewetenschap zijn er verschillende denkwijzen. Sommige richten zich op het individu, andere op de groep. Er zijn theoretische en praktische benaderingen. Dit boek focust op theorieën die je in de praktijk kunt gebruiken, vaak in de vorm van modellen.
Er zijn twee soorten modellen:
1.Conceptuele modellen: Deze leggen uit of voorspellen hoe dingen werken en zijn vaak ingewikkeld. Ze kunnen gebruikt worden om hypotheses te maken.
2.Implementatiemodellen: Deze helpen om informatie te ordenen en overzicht te krijgen, zoals de SWOT-analyse.
- / 4
HOOFDSTUK 2.1
Verzoenen in plaats van kiezen Communicatieprofessionals worden regelmatig geconfronteerd met dilemma’s: keuzes tussen twee gelijkwaardige, maar ogenschijnlijk tegenstrijdige opties, zoals standaardisering versus maatwerk of winstgevendheid versus duurzaamheid. Deze dilemma’s zijn moeilijk op te lossen via theorie alleen, omdat voor beide kanten goede argumenten bestaan. In plaats van een of-of-keuze, wordt een door-door-benadering aangeraden, waarbij men probeert de kracht van beide opties te combineren. Zo kan een organisatie zowel centraliseren als decentraliseren, of op korte termijn resultaat behalen zonder de lange termijn uit het oog te verliezen.Transparantie vormt een steeds groter dilemma. Enerzijds groeit de roep om openheid van bestuur door burgers, media en belanghebbenden. Anderzijds botsen transparantie-eisen met belangen als privacy, vertrouwelijkheid en macht. Globalisering en digitalisering versterken deze spanningen door de massale toename van informatie en internationale communicatie. Hoewel transparantie juridisch is verankerd en in veel westerse landen als norm geldt, zijn de opvattingen erover wereldwijd verdeeld. Ondanks de overvloed aan informatie verschillen mensen nog sterk van mening over belangrijke maatschappelijke kwesties, wat wijst op de complexiteit en dubbelzinnigheid van het begrip transparantie.Communicatieprofessionals moeten zich verdiepen in de verschillende opvattingen over de impact van het internet op de wereld en op communicatie. Veranderende grenzen aan
transparantie leiden tot drie belangrijke dilemma’s:
1.Open versus gesloten – Hoe open moet een organisatie zijn? De meningen over
transparantie verschillen: sommigen zien het als kans, anderen als bedreiging.
2.Monoloog versus dialoog – Organisaties communiceren steeds meer in dialoog, vooral online. De vraag is wanneer een eenzijdige boodschap (monoloog) of juist een gesprek (dialoog) passend is.
3.Feit versus boodschap – Door de overvloed aan data rijst de vraag welke informatie relevant is, en wie dat bepaalt. Er is een spanningsveld tussen objectieve feiten en de boodschap die een organisatie wil overbrengen.Deze dilemma’s brengen ook ethische vraagstukken met zich mee. Keuzes in openheid, gespreksvorm en informatieweergave kunnen risico’s of ongewenste gevolgen hebben. In Nederland bestaan er nauwelijks beroepscodes voor communicatieprofessionals; men wordt geacht zelf moreel afgewogen beslissingen te nemen.
- / 4