Internationaal en Europees Strafrecht - samenvatting stof:
HC 1 - 24 april - inleiding & uniestrafrecht:
H1 - Handboek Internationaal strafrecht - Inleiding:
Internationaal strafrecht kan worden omschreven als de onderdelen van internationaal recht en nationaal strafrecht die betrekking hebben op de strafbaarstelling, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten met grensoverschrijdende aspecten, en de tenuitvoerlegging van de daarmee samenhangende sancties. Wanneer een Nederlandse zich in het buitenland schuldig maakt aan een strafbaar feit, is art 7 Sr van toepassing. Verder is internationale samenwerking oa mogelijk op basis van Verdragen, bijv. inzake rechtshulp, overlevering/uitlevering, overname van veroordeelde personen (overbrenging), etc.Voorbeeld casus in par 1.2.
NL heeft geen apart wetboek met regelingen die betrekking hebben op de internationale samenwerking in strafzaken, dit maakt dat de wetgeving/bronnen verspreid zijn. Bijzondere nationale wetten zijn oa de WOTS, WETS, Overleveringswet, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie. Daarnaast zijn belangrijke nationale regelingen te vinden in Sr voor rechtsmacht (in samenhang met het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht), Sv voor bijv. de ‘klassieke’ justitiële rechtshulp maar ook voor het Europees bevriezingsbevel en het Europees onderzoeksbevel die beide berusten op de ‘moderne’ wederzijdse erkenning, Uitvoeringswet Internationaal Strafhof, Sanctiewet, Besluit politiegegevens, Wet internationale misdrijven, Algemene douanewet, etc.Internationale bronnen zijn oa verdragen, protocollen, overeenkomsten, richtlijnen, kaderbesluiten, verordeningen en besluiten waar NL partij van is. Voor een goed begrip van verdrag, protocol of overeenkomst moeten zowel de goedkeuringswet als de (als die bestaat) uitvoeringswet worden geraadpleegd. Een andere afzonderlijke bron voor internationaal strafrecht is de rechtspraak, zie EHRM, HvJ EU en het Internationaal Gerechtshof. Ook rechtspraak van de NL’se civiele- en bestuursrechter zijn bronnen voor internationaal strafrecht. In kort geding kan bijv worden opgekomen tegen de beslissing om een rechtshulpverzoek uit te voeren. Onder omstandigheden kan het EVRM meebrengen dat NL geen rechtshulp mag verlenen, in het bijzonder niet als uitlevering de opgeëiste persoon zou blootstellen aan een flagrante inbreuk op zijn recht op een eerlijk proces in de staat die om uitlevering heeft verzocht. Het tegenovergestelde kan ook: de uitleg van Unierecht door HvJ EU kan meebrengen dat NL gevolg moet geven aan ‘verzoeken’ uit andere EU-lidstaten. Rechtspraak van het HvJ EU leidde in 2021 tot aanpassingen van de Overleveringswet waardoor NL in minder gevallen kan weigeren om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen. Het Internationaal Gerechtshof stelde vast dat buitenlandse staatshoofden, regeringsleiders en Ministers van Buitenlandse Zaken ten overstaan van nationale gerechten volledige immuniteit genieten van strafrechtsmacht.
De verschillende onderdelen van het internationaal strafrecht kunnen op uiteenlopende manieren worden gekwalificeerd. De 1e manier is de kwalificatie van het internationaal strafrecht als droit pénal international of droit international pénal. De 2e manier is de kwalificatie als kleine en grote rechtshulp.
1) Droit pénal international en droit international pénal:
Aan het onderscheid tussen droit pénal international en droit international pénal ligt een verschil in perspectief ten grondslag. Kortgezegd is het perspectief internationaal bij droit international pénal en is het perspectief nationaal bij droit pénal international. Wat in de kwalificatie voorop staat, geeft het perspectief aan. Voor de praktijk is het onderscheid van belang omdat met ‘het’ internationaal strafrecht dus 2 verschillende perspectieven bedoeld kunnen worden en het perspectief de inhoud bepaalt.
1 1 / 4
2) Grote en kleine, primaire en secundaire rechtshulp:
De kwalificatie als grote en kleine rechtshulp van onderdelen die tot het internationaal strafrecht worden gerekend, bouwt voort op het onderscheid tussen primaire en secundaire rechtshulp. Primaire rechtshulp is rechtshulp waarbij een essentieel onderdeel van het strafproces wordt overgenomen, zoals strafvervolging zelf en de tenuitvoerlegging van een strafvonnis. De onderdelen van het internationaal strafrecht die hierbij horen, zijn de overname en overdracht van strafvervolging, alsmede de overname en overdracht van de tenuitvoerlegging van een buitenlands strafvonnis. Secundaire rechtshulp is op basis van dit criterium dan uitlevering, opsporingshulp en justitiële rechtshulp. Het onderdeel ‘rechtsmacht’ past niet goed in een van deze categorieën. Maar vooral het uitoefenen van rechtsmacht op basis van het actief nationaliteitsbeginsel kan worden gezien als het verlenen van rechtshulp als alternatief voor uitlevering. Zo kan het uitoefenen van rechtsmacht worden aangemerkt als primaire rechtshulp omdat NL dan de strafvervolging zelf op zich neemt en daarmee de belangen behartigt van de staat waar het feit is begaan.De secundaire rechtshulp die bestaat uit politiële of justitiële rechtshulp wordt ook aangemerkt als kleine rechtshulp. Secundaire rechtshulp is echter niet hetzelfde als kleine rechtshulp omdat uitlevering (een vorm van secundaire rechtshulp) als ‘grote’ rechtshulp wordt gekwalificeerd. In de praktijk vormt kleine rechtshulp de meest voorkomende en belangrijkste vorm van strafrechtelijke samenwerking. Kleine rechtshulp is omschreven als “een soort strafprocessuele bijstand op verzoek van buitenlandse autoriteiten ten behoeve van een in hun staat aanhangige strafzaak.” Kleine rechtshulp is bijv. het uitreiken van een dagvaarding aan een verdachte, een oproeping aan een getuige, het uitvoeren van een doorzoeking en het in beslag nemen van voorwerpen die als bewijs gebruikt kunnen worden in de strafzaak in een andere staat.
Goede rechtsbedeling is geen hard, eenduidig criterium maar een open concept dat bestaat uit belangen die in een concreet geval tegen elkaar moeten worden afgewogen. Welke belangen in een concreet geval zwaarder moeten wegen, hangt af van de invulling die aan een goede rechtsbedeling wordt geven. Voor een verdachte zal het belang van een goede rechtsbedeling vooral inhouden dat hij terecht staat in het land waarmee hij de sterkste binding heeft omdat daarmee zijn resocialisatie zal zijn gediend met behulp van zijn contact met familie, vrienden en werk. De staat waar het feit is begaan, is er doorgaans juist mee gebaat dat het proces daar wordt gevoerd omdat de inbreuk op de rechtsorde van die staat is gemaakt en de staat daarmee kan laten zien dat hij zijn wetten handhaaft en slachtoffers beschermt. Vervolging door de staat waar het feit is begaan, dient de goede rechtsbedeling ook omdat de bewijsmiddelen doorgaans daar voorhanden zijn terwijl bij een strafvervolging in een andere staat de kans bestaat dat de verdachte daar een mildere sanctie krijgt opgelegd. Daarnaast is het belang om vervolgingen in 1 staat te concentreren, van belang. Hoewel het Europees verdrag betreffende de overdacht van strafvervolging (EVOS) het begrip goede rechtsbedeling niet hanteert, wijst het wel belangen aan die een rol spelen bij een goede rechtsbedeling (art 8 EVOS). Op basis van art 8 EVOS kan geen belang worden aangewezen dat doorslaggevend is om in een concreet geval de staat aan te wijzen waar de vervolging of tul in het belang van een goede rechtsbedeling zal zijn. Maar als een staat aan geen enkel geval voldoet, mag de strafvervolging niet worden overgedragen naar dat land.Bij de samenwerking in strafzaken die berust op wederzijdse erkenning lijkt de nadruk op de belangen van de lidstaten te liggen. Alleen als de buitenlandse straf uitgaat boven de maximale gevangenisstraf die op de feiten is gesteld in de wet van de tenuitvoerleggingsstaat, wordt de buitenlandse straf tot dat maximum verlaagd. Maar een aanpassing van de buitenlandse straf naar een straf die de veroordeelde grofweg had gekregen als hij was vervolgd en berecht in de staat van tenuitvoerlegging, is verleden tijd.
2 2 / 4
H2 - Handboek Internationaal strafrecht - Uniestrafrecht:
Op strafrechtelijk terrein staat de soevereiniteit van landen voorop. Ieder land beschikt over een eigen strafrechtelijk stelsel met eigen strafrechtelijke codificatie van strafrechtelijke normen en bevoegdheden.Maar dit neemt niet weg dat de strafrechtstelsels van diverse Europese landen op verschillende punten overeenkomen. EU landen zijn dmv van verdragen verplichtingen aangegaan om onderdelen van hun strafrechtstelsel op elkaar af te stemmen, bijv. EVRM en V(W)EU. Langs verschillende lijnen vloeien uit deze verdragen verplichtingen voort ten aanzien van de inrichting van de nationale strafwetgeving en de toepassing van het strafrecht (bijv in de vorm van de verplichting tot strafbaarstelling van bepaalde gedragingen of de verplichting tot het verlenen van bepaalde vormen van rechtshulp) met als effect dat de strafrechtsstelsels op de relevante onderdelen in belangrijke mate gelijkenis met elkaar vertonen.
Het communautaire Europees recht heeft in principe voorrang boven het nationaal recht, ook wanneer het nationale recht die voorrang niet (expliciet) toekent aan het Europese recht. Dat kan ertoe leiden dat nationaal recht soms (wanneer dit strijdig is met Europees recht) buiten toepassing moet worden gelaten en dat rechtstreeks toepassing mag (en moet) worden gegeven aan Europees recht. De consequentie hiervan is dat op het moment dat een bepaald strafrechtelijk onderwerp op Europees niveau wordt genormeerd, de lidstaten geen of slechts in beperkte mate de mogelijkheid hebben om van die normering af te wijken.
Historische schets:
Het Europees recht heeft altijd al enigerlei betekenis gehad voor het strafrecht, maar het heeft geruime tijd geduurd voordat het strafrecht een zelfstandig beleidsterrein is geworden van de Europese Unie, met daarbij ook specifieke op het strafrecht gerichte rechtsinstrumenten.De oorsprong van wat nu de Europese Unie is, is gelegen in de oprichting in 1951 van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), waarin 6 landen (FR, Duitsland, Italië, België, NL en Luxemburg) een hecht samenwerkingsverband aangingen op het terrein van de handel in kolen en staal.Het EGKS voorzag in eigen regelgevende en bestuurlijke bevoegdheden en er was voorzien in de oprichting van andere organen zoals een Hof en een Raad. In 1957 is naast de EGKS, de Europese Economische Gemeenschap (EEG) opgericht. De EEG beoogde vooral de samenwerking op economisch terrein te bevorderen. Ook de EEG had gemeenschappelijke instellingen als de Commissie, het Hof van Justitie en het Europees Parlement. In bekende uitspraken van het HvJ, zoals Van Gend & Loos en Costa/ENEL is de rechtstreekse werking van het Gemeenschapsrecht aanvaard. Daarmee werd aanvaard dat particulieren rechtstreeks rechten kunnen ontlenen aan het Gemeenschapsrecht, en ook schendingen van het Gemeenschapsrecht aan de orde kunnen stellen bij de rechter. Verder heeft het Hof bepaald dat het Gemeenschapsrecht voorrang heeft op het nationale rechtsorde: nationaal recht dat strijdig is met Gemeenschapsrecht dient in principe te wijken voor het Gemeenschapsrecht.Welke betekenis had het EG-recht voor het nationale strafrecht? Vanwege opvatting dat de Gemeenschap geen bevoegdheid had op strafrechtelijk terrein, is er maar weinig regelgeving tot stand gekomen met directe relevantie voor het strafrecht. Wel zijn er richtlijnen tot stand gebracht. Een vanuit strafrechtelijk perspectief uiterst belangrijk moment in de historische ontwikkeling betreft de oprichting van de Europese Unie in 1992. Hiermee werd het werkterrein van ‘Europa’ verder verbreed. Dit werd bereikt door de EU als een organisatie met 3 pijlers neer te zetten: 1)de EGKS, EGA en EEG, 2)samenwerking ter zake van het buitenlands en veiligheidsbeleid, 3)politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. De lidstaten kozen ervoor om in de 3e pijler samen te werken op overwegend intergouvernementele basis.Dit kwam tot uitdrukking door in de derde pijler op een aantal onderdelen af te wijken van het EG-regime, zo was unanimiteit vereist. In de uitspraak van de HvJ in de zaak Pupino aanvaardde het Hof de plicht voor de nationale (straf)rechter om het nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met
3 3 / 4
kaderbesluiten uit te leggen (hiermee trok het Hof in feit de in de 1e pijler ontwikkelde plicht tot richtlijnconforme uitleg door naar de 3e pijler).Binnen de 3e pijler zijn belangrijke stappen gezet in de Europeanisering van het strafrecht. Allereerst zijn er diverse kaderbesluiten tot stand gebracht waarin de samenwerking tussen de lidstaten op strafrechtelijk terrein centraal staat. Daarbij werd gekozen om de samenwerking te doen plaatsvinden op basis van wederzijdse erkenning. Door de totstandkoming van de pijlerstructuur verkreeg het strafrecht een duidelijk eigen plaats in de EU.In 2004 ondertekenden de lidstaten de Grondwet voor Europa, daarin werd gekozen voor het vervallen van de pijlerstructuur. Die Gw is er niet gekomen, maar het Verdrag van Lissabon wel. Sindsdien bestaat het verdragskader van de EU uit het VEU en VWEU.De belangrijke leerstukken van de rechtstreekse werking en de voorrang van het gemeenschapsrecht zijn nu van toepassing binnen het gehele Unierecht. Blijkens de rechtspraak van het HvJ moeten de door het Handvest gewaarborgde grondrechten door de lidstaten worden geëerbiedigd wanneer een nationale regeling binnen het toepassingsbereik van het Unierecht valt.
Strafrechtelijke samenwerking en wederzijdse erkenning:
Het nadeel van de vormen van internationale strafrechtelijke samenwerking is echter dat deze vaak tamelijk langzaam en weinig efficiënt verlopen, voornamelijk omdat een verzoek tot bijstand voor de aangezochte staat nogal vrijblijvend is. De aangezochte staat heeft in beginsel veel vrijheid om met het verzoek tot hulp te doen wat (en wanneer) hij wil en heeft doorgaans veel weigeringsgronden tot zijn beschikking.Verschillen in strafrechtsstelsels behoefden niet als probleem te worden gezien, zolang die maar geen belemmering vormden voor een effectieve en efficiënte samenwerking. Daarom werd het principe van wederzijdse erkenning aangemerkt als hoeksteen van de justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken. Het principe van wederzijdse erkenning is nu terug te vinden in art 67 lid 3 en 82 lid 1 VWEU.De noodzaak om de toenemende grensoverschrijdende criminaliteit gezamenlijk te bestrijd, is in de loop der jaren door de lidstaten steeds meer onderkend. Verschillende Europese organisaties houden zich bezig met de coördinatie van de samenwerking tussen lidstaten als het gaat om de opsporing en vervolging van zware vormen van grensoverschrijdende criminaliteit. De organisaties zijn: -Europees Justitieel Netwerk (EJN) → Het betreft een informeel en flexibel netwerk van contactpunten van (centrale) autoriteiten van elke lidstaat, die verantwoordelijk zijn voor de internationale rechtshulpsamenwerking. De contactpunten dienen de justitiële samenwerking tussen lidstaten te vergemakkelijken door te fungeren als eerste aanspreekpunt voor autoriteiten uit zowel de eigen staat als uit andere lidstaten, die op zoek zijn naar de juiste autoriteit in een andere lidstaat voor het verlenen van rechtshulp. Daarbij bieden de contactpunten de juridische en praktische gegevens die de vragende autoriteit nodig heeft om op doeltreffende wijze een rechtshulpverzoek op te stellen.-Eurojust → Houdt zich bezig met de coördinatie van strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen in meerdere lidstaten, het oplossen van jurisdictiegeschillen en het bevorderen van samenwerking tussen de verschillende nationale justitiële autoriteiten. Eurojust heeft tot doel om in gevallen waarin twee of meer lidstaten betrokken zijn bij het onderzoek naar en de vervolging van een aantal vormen van zware criminaliteit en daarmee in verband staande andere strafbare feiten, de coördinatie en de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten inzake onderzoek en vervolging in de lidstaten te ondersteunen en te versterken. → art 85 VWEU.-Europol → Het is een Europese politiedienst zonder operationele bevoegdheden. Het heeft tot doel het (politie)optreden van bevoegde instanties van lidstaten en hun onderlinge samenwerking te ondersteunen en te versterken bij de voorkoming en bestrijding van georganiseerde criminaliteit, terrorisme en andere vormen van ernstige criminaliteit waardoor 2 of meer lidstaten worden getroffen.Europol heeft als taken onder meer het verzamelen van inlichtingen, het ondersteunen van
- / 4