Inhoud Jongvolwassenheid (20-40 jaar).............................................................................................................2 1.1 Lichamelijke ontwikkelingen.........................................................................................................2 1.2 Cognitieve ontwikkeling................................................................................................................3 1.3 Hoger onderwijs...........................................................................................................................4 2.1 Relaties.........................................................................................................................................4 2.2 Verloop van relaties......................................................................................................................6 2.3 Werk.............................................................................................................................................6 Middelbare leeftijd (40-60 jaar)..............................................................................................................8 3.1 lichamelijke ontwikkeling.............................................................................................................8 3.2 Gezondheid...................................................................................................................................8 3.3 Cognitieve ontwikkeling................................................................................................................9 4.1 Persoonlijke ontwikkeling...........................................................................................................10 4.2 Relaties.......................................................................................................................................11 4.3 Werk...........................................................................................................................................12 Ouderdom (60-einde)...........................................................................................................................13 5.1 Lichamelijke ontwikkeling...........................................................................................................13 5.2 Gezondheid en welzijn................................................................................................................14 5.3 Cognitieve ontwikkeling..............................................................................................................15 6.1 Persoonlijke ontwikkeling en gelukkig oud worden....................................................................15 6.2 Dagelijks leven tijdens ouderdom...............................................................................................16 6.3 Relaties.......................................................................................................................................17 Het einde..............................................................................................................................................19 7.1 Sterven en dood tijdens het leven..............................................................................................19 7.2 Confrontatie met de dood..........................................................................................................19 7.3 Besef van verlies en intens verdriet............................................................................................20
1 1 / 3
Jongvolwassenheid (20-40 jaar) 1.1 Lichamelijke ontwikkelingen Veroudering: de natuurlijke lichamelijke achteruitgang die wordt veroorzaakt door het ouder worden wordt nog niet opgemerkt in jongvolwassenheid; zintuigen op zijn best Myeline: vettige stof die op veel plaatsten in zenuwstelsel axonen omhult; witte stof versnellen doorgeven van zenuwimpulsen aanmaak blijft doorgaan in jongvolwassenheid en snoeien grijze stof blijft, brein groeit door: prefrontale cortex pas op 25 e uitgegroeid. bewegen en voeding voor gezondheid; gezondheidsrisico’s laag in jongvolwassenheid grootste kans sterfte door ongelukken; kanker, hartziekten, zelfmoord 35 e jaar meer ziekten en aandoeningen doodsoorzaak Secondaire veroudering: omgevingsfactoren/individueel gedrag (roken, drugs, alcohol, onveilige seks) die voor lichamelijke aftakeling zorgen mannen sterven bijna 2x zo veel als vrouwen (zelfmoord en ongelukken)
Voeding: moet op gelet worden vanaf jongvolwassenheid
1.Meer plantaardig dan dierlijk 2.Onbewerkt/ weinig bewerkt voedsel 3.Vermijd overconsumptie en verspilling water drinken
Overgewicht: meer dan 20% van gemiddelde BMI neemt toe (ook met leeftijd)
Anorexia: 50% vrouwen permanent op dieet geobsedeerd met gewicht, lichaamsomvang, eten en daarmee gezondheid in gevaar komt.
1.Beperkend type 2.Vreetbuien/purgerende type Handicap: elk langdurig en belangrijk participatieprobleem van een persoon dat te wijten is aan een samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuigelijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten, persoonlijke en externe factoren neemt toe door vergrijzing; mantelzorg/professionele thuishulp zelfstandig wonen (kosten
vergoed Wmo) hulpmiddelen:
1.Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen 2.Huishoudelijke Dagelijkse Levensverrichtingen 3.Domotica (elektronische toepassingen om in de woning functies te besturen en diensten te gebruiken Stress: de lichamelijke en emotionele reactie op stressoren (gebeurtenissen die ons bedreigen of uitdagen) er mee omgaan: coping (poging om de dreiging die tot stress leidt te beheersen, reduceren, leren te verdragen) 1.Gebeurtenissen die negatieve emoties oproepen leiden eerder tot stress 2.Onbeheersbare/onvoorspelbare situaties leiden tot meer stress 3.Ambigue en verwarrende situaties leiden tot meer stress 4.Veel taken moeten vervullen leid tot meer stress
2 2 / 3
Psychoneuro-immunologie (PNI): onderzoek naar de relatie tussen hersenen. Het immuunsysteem en psychologische factoren. gevolgen stress: versnelde hartslag, verhoogde bloeddruk, zweten langdurig (chronische stressoren): steeds minder goed kunnen omgaan met stress: verslechterde conditie hart, bloedvaten, gevoeliger voor ziektes
Stadia in stress ervaren: (Lazarus & Folkman)
1.Primaire inschatting (gevolgen: positief, negatief, neutraal)
2.Secundaire inschatting (kan ik het aan) Psychosomatische aandoeningen: medische problemen die worden veroorzaakt door de interactie tussen psychologische, emotionele en lichamelijke problemen (stress) Coping: poging om de dreiging die tot stress leidt te beheersen, reduceren, leren te verdragen
1.Probleemgerichte coping: situatie veranderen
2.Emotiegerichte coping: emoties reguleren
3.Defensieve coping: onbewuste strategieën die de aard van situatie verdraaien of ontkennen 4.Drugs/alcohol 1.2 Cognitieve ontwikkeling Piaget weinig ontwikkeling; formeel operationeel stadium bereikt; laatste stadium (logica) Labouvie-Vief denken veranderd kwalitatief niet alleen logica maar ook ervaring en morele oordelen en waarden postformeel denken: denken dat de rekening houdt met het feit dat hachelijke situaties waarin volwassenen terecht komen soms op relativerende wijze moet worden opgelost dialectisch denken: belangstelling en waardering argumenten (niet meer zwart-wit) Perry jongvolwassenheid niet beheersing van kennis maar manieren om wereld te begrijpen; eerst nog dualistisch denken (goed vs. fout) daarna meervoudig denken (verschillende standpunten mogelijk) relativistisch
Schaies stadia van ontwikkeling (Schaie): met informatie omgaan
1.Verwervende stadium (verwerven informatie; kindertijd en adolescentie) 2.Uitvoerend stadium (kennis toepassen op lange termijndoelen; jongvolwassenheid) 3.Verantwoordelijk stadium (persoonlijke situatie oftewel het beschermen en verzorgen; middelbare leeftijd) 4.Ondernemend stadium (zeken breder bekijken, meer betrokken bij wereld; middelbare leeftijd) 5.Reïntegratief stadium (aandacht op zaken van persoonlijke betekenis; ouderdom)
Sternberg triarchische theorie over intelligentie:
1.Componentiële component (mentale aspecten intelligentie: rationeel gedrag: academische succes; IQ) 2.Experimentele component (relatie intelligentie, ervaringen, vermogen om in nieuwe situaties te hanteren) 3.Contextuele component (mate van voldoen dagelijkse eisen; praktische intelligentie) Praktische intelligentie: Sternberg intelligentie die is verworven door het observeren en kopiëren van gedrag van anderen. (nodig bij werk) Emotionele intelligentie: geheel van vaardigheden die accurate inschatting, evaluatie, uitdrukking en regulatie van emoties mogelijk maken.
- / 3