Kennisbasis Nederlandse taal
Domein 1: Mondelinge taalvaardigheid (11)
Sociale taalfuncties
Bij de sociale taalfuncties kan een onderverdeling gemaakt worden in:
·Zelfhandhaving: zichzelf verdedigen of bezit beschermen (Die had ik! Of;
Bernadette wil de tas zelf dragen, want zij had hem als eerst.);
·Zelfsturing: eigen handelingen met woorden ordenen of plannen aankondigen
(Dan ga ik eerst naar de bakker en dan naar de supermarkt.);
·Sturing van anderen: beïnvloeden van gedrag van anderen (Zullen we gaan
zwemmen?); ·Structurering van het gesprek (Mag ik even wat zeggen? Of; Nu moeten jullie zeggen wat je wilt kopen) De sociale taalfuncties verwijzen naar de communicatieve functie van taal.Cognitieve taalfunctie Taal gebruiken om je gedachten te ordenen en greep te krijgen op de werkelijkheid. Cognitieve taalfuncties kunnen op de volgende manier
gerangschikt worden op mate van complexiteit (Kuiken & Vermeer 2005):
·Rapporteren: verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt.
Hieronder vallen: benoemen/etiketteren, beschrijven, vergelijken (Dit is een
visje met een lange staart, die andere is korter.);
·Redeneren: beschrijving waarin een extra denkstap wordt verwoord.
Hieronder vallen: chronologisch ordenen; concluderen; middel-doelrelatie of
instrumentele relatie leggen; oplossen van een probleem; oorzaak- gevolgrelatie leggen (Als we de deur van de koelkast opendoen, gaat de cavia piepen, want dan wil hij ook eten.);
·Projecteren: verplaatsen in de gedachten en de gevoelens van iemand anders
(Esra heeft geen zin om te spelen. Ze is verdrietig want haar konijn is dood.) De cognitieve taalfuncties verwijzen naar de conceptualiserende functie van taal.Taalniveaus NiveauRegels voor Onderdeel taalkunde Fonologisch niveauUitspraakFonologie Morfologisch niveau Opbouw van woordenMorfologie Syntactisch niveau Volgorde van woorden Syntaxis Semantisch niveauBetekenisSemantiek Pragmatisch niveauGebruikPragmatiek Orthografisch niveauSpellingOrthografie
Fonologie: De klankleer. Er wordt gelet op de uitspraak van woorden, de regels
voor de volgorde van spraakklanken, de intonatie of het woordaccent (paaraapluu, gaaraazju)
1 1 / 4
Foneem: een klank die betekenisverschil tussen woorden veroorzaakt. We
spreken van twee verschillende fonemen als twee spraakklanken ook verschil in betekenis teweegbrengen. In been en beer hoor je twee verschillende ee-klanken, maar het is één foneem. De /n/ en de /r/ zijn wel twee verschillende fonemen. Die zorgen in deze woorden voor verschil in betekenis.Normaal gesproken hebben spraakklanken geen betekenis, maar in bepaalde situaties kan de manier waarop woorden en zinnen uitgesproken worden juist bepalend zijn voor de betekenis. Dat is het geval bij de klemtoon of het woordaccent.Bij het woord negeren is de klemtoon bepalend voor de betekenis.
Morfologie: Het onderzoeken van hoe woorden zijn opgebouwd uit
betekeniselementen en op welke manier een taalgebruiker nieuwe woorden vormt. Voor- en achtervoegsels hebben ook betekenis. In ongelijk betekent het woordje on- ‘niet’ gelijk.
Morfeem: kleinste betekenis dragende element van taal.
·Vrije morfemen; hebben al betekenis; stoel, raam ·Gebonden morfemen; betekent pas iets als het gebonden wordt; tje,pje
Vier verschillende morfologische principes:
·Samenstelling: twee lossen worden samengevoegd tot één woord: fietsbel
·Afleiding: een woord waarvan niet alle delen als zelfstandig woord kunnen
voorkomen: nattig
·Verbuiging: Ook sprake van het samenvoegen van een vrij en gebonden
morfeem, maar er ontstaat niet een geheel nieuw woord: groot grote. Er
zijn verschillende soorten verbuigingen:
i. Meervouden: beesten
ii.Verkleinwoorden: huisje
iii.Vergelijking: kleiner, kleinst
iv.Buigings-s: leuks
v. Buigings-e: mooie
·Vervoeging: Naam voor de verbuiging van werkwoorden. Door -t, -en, -te, -
ten, -de, of -den aan de grondvorm van een werkwoord te voegen
Syntaxis: de leer van de zinsbouw. Op het syntactisch niveau van de taal
beschrijven we de regels voor het combineren van woorden.
Woordbenoemen ook wel taalkundig ontleden:
WoordsoortVoorbeeld Zelfstandig naamwoordWaarheid
2 2 / 4
Bijvoeglijk naamwoordAardige TelwoordDuizend, enkele, laatste WerkwoordHebben, zijn, integreren LidwoordDe, het, een VoornaamwoordHij, zij, men BijwoordBijna VoorzetselTussen VoegwoordEn, omdat TussenwerpselAch, joh
Zinsontleden ook wel redenkundig ontleden:
FunctieVoorbeeld OnderwerpDe tulpen bloeien.Werkwoordelijk gezegdeHij heeft gefaald.Naamwoordelijk gezegdeNiets is zeker.Lijdend voorwerpRobin scoorde het derde doelpunt.Meewerkend voorwerpIk geef iedereen een klein aandenken.Voorzetsel voorwerpDe prinses houdt van kip met appelmoes.Bijwoordelijke bepalingMorgen kom ik.Bepaling van gesteldheidHongerig kwam ze binnen.
Semantiek: de leer van de betekenis van taal, richt zich op verschillende
betekenisrelaties:
·Synoniem: synoniemen zijn verschillende woorden met dezelfde
betekenis.
·Hyponiem/categorie exemplaar : een woord waarvan de betekenis ook
wordt uitgedrukt door een overkoepelend begrip, ofwel: een begrip A is
een hyponiem van een begrip B als de betekenis van A volledig wordt gedekt door B met een doorgaans ruimere betekenis. Wijn is bijvoorbeeld een hyponiem van drank.
·Antoniem: woorden met tegengestelde betekenissen zoals donker en
licht.
Pragmatiek: het onderdeel van taalkunde dat zich bezighoudt met het gebruik
van taal in concrete situaties. Met taal kun je handelingen verrichten. Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand zegt: “Ik verklaar u nu tot man en vrouw”, is er niet alleen iets gezegd maar is daarmee iets belangrijks gebeurd. Zo kun je iedere
3 3 / 4
taaluiting als een handeling zien, zoals vragen, bevelen, beweren, beloven of dreigen. Door intonatie kun je een vormelijk verzoek laten klinken als een bevel of andersom. Bijvoorbeeld in de zin: “Zou je alsjeblieft de deur dicht willen doen?” lijkt het te gaan om een vriendelijke vraag, maar gaat het om een opdracht.
Taalhandeling: hier spreken we van als iemand door het gebruik van taal een
communicatieve handeling verricht. Voorbeelden zijn: vragen, bevelen, beweren,
beloven of dreigen.
Orthografie: de manier waarop de gesproken taal wordt weergegeven in
lettertekens, de spelling van woorden dus “Hoe spel je het woord ‘machine’” , maar ook homofonen en homografen.
·Homoniemen : hetzelfde woord, andere betekenis. Bank – bank, rechter –
rechter.
·Homofonen: woorden die hetzelfde klinken, maar waarvan de schrijfwijze
·verschillend is. boot- bood, hout- houd, mei – mij, ligt – licht.
·Homografen: de spelling van woorden is gelijk, maar er is verschil in
·uitspraak. Appel, regent.Taalverwerving en taalontwikkelingsfasen Het verwerven van spraak en het verwerven van inzicht in het hanteren van grammaticale en communicatieve regels. Bij taalverwerving onderscheiden we de spraakontwikkeling en de taalontwikkeling.In de praktijk worden de begrippen taalverwerving en taalontwikkeling door elkaar gebruikt.In het taalontwikkelingsproces leren kinderen de regels voor de taalinhoud (semantisch aspect), de taalvorm (fonologie, morfologie en syntaxis) en het taalgebruik (pragmatiek).De ontwikkeling van de moedertaal wordt gedeeltelijk gestuurd vanuit de rijping van het centrale zenuwstelsel. Denk daarbij aan ‘minimumspreeknormen’ die bij logopedie worden gehanteerd.Daarnaast zorgt taalinput van buitenaf voor prikkeling van hersencellen, waardoor de taal zich in de eerste zes jaren op de hersenschors vastlegt in een mentale atlas. Die bestaat uit het vermogen tot geluidswaarneming, het vermogen tot klankvorming, het vermogen tot woordbegrip, het vermogen tot zinsbegrip en het vermogen tot zinsproductie.Er bestaan verschillende theorieën over hoe kinderen taal verwerven. Een algemeen geaccepteerde benadering is dat kinderen niet simpelweg imiteren, maar creatieve bouwers zijn en beschikken over een taalleermechanisme (creatieve constructietheorie). De ‘interactionele benadering’ voegt daar nog aan
- / 4