TiU: Klinische Psychologie: Begrippen / theorieën / modellen overzicht (2022/2023) Shimara van den Elzen
KLINISCHE PSYCHOLOGIE
BEGRIPPEN / THEORIEËN / MODELLEN
HOORCOLLEGE 1: INLEIDING ANGSTSTOORNISSEN
Angst (anxiety): een diffuus, ongemakkelijk gevoel, waarvan de bron aspecifiek of onbekend is voor het individu.
Vrees (fear): een gevoel van onbehagen en bedreiging, gerelateerd aan een identificeerbare oorsprong. Het gevoel van vrees is dus gerelateerd aan een specifieke situatie of object.
Vecht- of vluchtreactie (fight or flight response): een automatisch
verdedigingsmechanisme dat ontstaat bij een gevoel van angst, waardoor er een verandering in het lichaam optreedt. De eerste fase van het stresssysteem wordt geactiveerd (autonomic arousal). Je hart gaat sneller kloppen, je bloeddruk gaat omhoog, je spieren spannen zich aan, je transpireert en je ademhaling versnelt.
Vicieuze cirkel van angst:
HOORCOLLEGE 2: ANGSTCONDITIONERING ALS EEN MODEL VOOR DE ACQUISITIE EN EXTINCTIE
VAN ANGST
Angst: een specifieke toestand van een organisme in aanwezigheid van een daadwerkelijke of ingebeelde dreiging die wordt gekenmerkt door: specifieke gedachten en gevoelens, fysiologische veranderingen en gedrag.
Klassieke conditioneringstheorie:
- Little Albert experiment:
- In dit experiment wordt baby Albert geconditioneerd om angst te hebben voor
een konijn. Dit werd gedaan door telkens wanneer het konijn werd laten zien tegelijkertijd een heel luid en vervelend geluid te laten horen waarvan ze wisten dat Albert daar angst voor had. Dit werd verschillende keren gedaan.Na verloop van tijd werd Albert al angstig als hij alleen het konijn zag (en dus nog niet het geluid hoorde). Dit toont aan dat angst geconditioneerd kan worden.
- Hondenexperiment conditionering (Pavlov):
- Pavlov deed onderzoek naar de speekselproductie van honden bij het geven
van voedsel. Hij merkt dat de honden al beginnen met kwijlen voordat de brokken zijn gegeven. Alleen het laten zien van het voedsel is al voldoende voor de honden om te gaan kwijlen. Hij deed een experiment met een bel. 1 / 3
TiU: Klinische Psychologie: Begrippen / theorieën / modellen overzicht (2022/2023) Shimara van den Elzen Telkens als de honden hun voedsel krijgen laat hij een bel rinkelen. De honden denken dan dat ze hun eten krijgen en beginnen met kwijlen. Na verloop van tijd beginnen de honden al met kwijlen als alleen de bel rinkelt (maar ze nog geen voedsel hebben gehad).
- Angstconditionering (Watson en Rayner):
- Bijv. je bent nog jong en hebt nog geen ervaring met honden. De hond is in dit
geval de geconditioneerde stimulus. Op een bepaald moment word je gebeten door een hond, dit is de ongeconditioneerde stimulus. De reactie hierop, zoals pijn, wordt de ongeconditioneerde respons genoemd. Door de paring tussen de ongeconditioneerde stimulus en de ongeconditioneerde respons kan de geconditioneerde stimulus (die eerst geen reactie uitlokte) door de ervaring met het bijten van de hond ineens wel een reactie uitlokken. De geconditioneerde respons is in dit geval een fobie voor honden.
- Problemen met deze theorie:
- Niet iedereen met een specifieke fobie heeft ooit een conditioneringservaring
- Niet iedereen die een conditionerings-/traumatische ervaring heeft gehad
- Objecten en situaties die typisch angst uitlokken zijn niet random verdeeld.
gehad.
ontwikkelt een specifieke fobie.
Alternatieve modellen voor de klassieke conditioneringstheorie:
- Genetische aanleg (genotype).
- Sommige mensen zijn door hun genen sterker geneigd om angstig te zijn
- Persoonlijkheidstrekken (fenotype).
- Mensen die meer neurotisch zijn of hogere trait anxiety hebben, hebben een
- Non-associatieve verklaring (rol van non-specifieke stressoren).
- De neiging om angstig te worden kan ook uitgelokt worden door algemene
dan andere mensen zonder dit soort genen.
grotere kans op het ontwikkelen van een angststoornis. Dit is vaak het fenotype van de genen die coderen om meer of minder angstig te zijn.
stressoren en niet per se door iets specifieks zoals een traumatische ervaring (bijv. ongeluk). Het kan ook ontstaan door algemene stress. Door stress is iemands capaciteit om met angstige gevoelens om te gaan verminderd, waardoor de neiging om angstig te zijn uitgelokt wordt.
- Problemen met deze theorieën:
- Waarom ontwikkelen sommige mensen angsten en andere niet (niet alle
- Niet alleen genen, maar ook omgevingsinvloeden spelen een belangrijke
- / 3
hoog-angstige personen ontwikkelen een fobie)? Dit is niet duidelijk.
rol.
TiU: Klinische Psychologie: Begrippen / theorieën / modellen overzicht (2022/2023) Shimara van den Elzen
Moderne klassieke conditioneringstheorie:
- Hoe uitbreidingen van het klassieke conditioneringsmodel de belangrijkste problemen
kunnen aanpakken:
1. Er zijn meerdere paden voor angstacquisitie (Rachman):
- Conditioneringservaring. Je hebt zelf een traumatische ervaring waardoor
- Sociale observatie. Je ziet dat iemand anders een traumatische ervaring
- Verbale informatie. Iemand vertelt je over gevaar.
- Fantasie en inbeelding.
- Bijna-ongevalervaring. Je had bijna een ongeval, waardoor je je goed kunt
je geconditioneerd wordt.
meemaakt.
inbeelden wat er hád kunnen gebeuren.
2. Eerdere ervaring met geconditioneerde stimuli (latente inhibitie):
- Latente inhibitie verwijst naar het feit dat wanneer iemand bijv. veel
positieve ervaringen heeft gehad met honden (voordat diegene wordt gebeten door een hond) dit op een beschermende manier kan werken voor angstconditionering. Iemand die geen positieve ervaringen heeft gehad met honden voordat diegene wordt gebeten, zal eerder angst voor honden ontwikkelen.
3. Biologische voorbereidheid (Seligman):
- Dingen waar mensen typisch angst voor hebben zijn zaken zoals spinnen,
slangen, vreemden, donker, afgesloten ruimtes, hoogtes (wellicht doordat deze zaken in onze evolutionaire geschiedenis belangrijk waren). Als we hier vroeger geen angst voor hadden, overleefden we het niet.➔ Deze zaken kunnen geïntegreerd worden in een uitgebreider model → cognitieve
model van conditionering:
- / 3