Landelijke Kennisbasistoets Nederlands
Overzicht:
-Domein 1: vakdidactiek - pagina 2
-Domein 3: taalbeschouwing - pagina 24
-Domein 4: fictie - pagina 54
Kleurcodering:
-Oranje = Ik kreeg hier een vraag over tijdens mijn toets (disclaimer: elke toets is natuurlijk anders).-Blauw = Literatuur/video's die je kunnen helpen om je te verdiepen in het onderwerp.-Groen = Oefenvraag
1 1 / 4
Domein 1: Vakdidactiek
1.1 Professionele context 1.2 Taalontwikkelend lesgeven 1.3 Taal en zorg ABCD-model (NT2) = Fase A: De oefeningen in deze fase zijn vooral gericht op receptieve taalvaardigheden. In deze fase staat het aanbieden van de taalmiddelen centraal. Dit wil zeggen dat de nadruk ligt op het begrijpen van teksten (zowel in gesproken als geschreven vorm). De vaardigheden zijn daarom met name luisteren en kijken.Fase B: In de B-fase worden de taalmiddelen ingeslepen. We noemen deze fase dan ook de consolideringsfase. Concreet gezegd wordt hier de taal (woorden, zinnetjes, grammaticale structuren) aangeboden en geoefend die nodig is om te kunnen communiceren in de doeltaal. De oefeningen zijn vaak sterk gestructureerd. Zelf spreken en schrijven komen voor het eerst aan bod. (reproductie) Fase C: De volgende fase biedt de deelnemers de ruimte om de taal die in de vorige twee fasen opgestoken is te gaan produceren en zo uitdrukking te geven aan eigen ideeën. De taalproductie in deze fase is nog gestuurd.Fase D: In deze laatste fase komen de deelnemers tot vrije productie van de taal, waarbij ze slechts weinig of zelfs geen hulpmiddelen meer aangeboden krijgen. Het doel is hier om echte communicatie tot stand te brengen (productie).Tijdens de les heeft de docent een werkvorm bedacht waarbij de leerlingen de betekenis van moeilijke woorden uit een tekst moeten opzoeken. Bij welke fase van het ABCD-model past deze werkvorm?A)Consolideringsfase B)Gestuurde productie C)Vrije taalproductie D)Aanbieden van taalmiddelen academische taalvaardigheid (CAT) = Als kinderen ouder worden en meer taal leren, is het belangrijk dat de stap naar de Cognitieve Academische Taalvaardigheid (CAT) wordt gemaakt. Deze overgang is een geleidelijk proces, waarin er een overgang plaatsvindt van concreet naar abstract taalgebruik. Er worden nu ook complexe verbanden gelegd. En de taal wordt steeds nauwkeuriger en specifieker. Een voorbeeld is: Het wordt warmer (DAT) > De temperatuur stijgt (CAT). Omdat de ontwikkeling van CAT meestal op school plaatsvindt, wordt CAT ook wel schooltaal genoemd.alledaagse taal (DAT) = Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid.analfabeet (functioneel) = Iemand is functioneel analfabeet wanneer zijn leesniveau zo laag is dat hij zich niet kan redden in een geletterde maatschappij.attitude (socio-affectieve factoren) = de basishouding die iemand heeft tegenover het leren van een nieuwe taal (bijvoorbeeld positief).Vier benaderingen NT2 = Grammaticaal-vertaalbenadering, audio-linguale benadering, communicatieve benadering en receptieve benadering.
2 2 / 4
grammaticaal-vertaalbenadering = Met deze methode leren studenten grammaticale regels en passen ze deze toe door zinnen te vertalen tussen de doeltaal en hun moedertaal.
Luisteren en praten worden niet behandeld. https://www.youtube.com/watch?
v=RCLM7ZXp2nc audio-linguale benadering = In audio-oraal is er geen uitleg over de grammatica - alles wordt gewoon onthouden zoals het is. Het idee is om de leerlingen naar een bepaalde constructie te laten verwijzen om spontaan gebruik te bereiken. De lessen zijn daarom opgebouwd rond continue herhalingsoefeningen, waardoor studenten weinig of geen controle hebben over hun resultaten. De docent vraagt om een precies antwoord en laat geen fouten aan de kant van de studenten voorbijgaan. Dit type activiteit bij het leren van talen staat lijnrecht tegenover communicatief taalonderwijs. https://www.youtube.com/watch?v=QjbewExPM_Q communicatieve benadering = Taal wordt beschouwd als middel om een boodschap over te brengen. (NT2) Vaak wordt hiervoor het ABCD-model voor gebruikt. Doel: taalroutines en
taalhandelingen. https://www.youtube.com/watch?v=xlOjvHWKun8
receptieve benadering = Eerst luisteren, eerst begrip (woordenschat) van T2 vergroten en daarna pas produceren. Het begrijpen van T2 is belangrijk bij deze benadering.“Grammatica hoeft niet uitgelegd te worden, alles wordt gewoon onthouden zoals het is. Als je leerlingen verwijst naar een bepaalde constructie, zorg je ervoor dat ze spontaan gebruik bereieken.” Bij welke benadering past deze uitspraak?A)Grammaticaal-vertaalbenadering B)Audio-linguale benadering C)Communicatieve benadering D)Receptieve benadering Meer weten? Handboek Nederlands als tweede taal - pagina 60 auditieve discriminatie = Een gesproken woord in klanken kunnen opdelen.automatisering (lezen) = Het in een oogopslag herkennen van gelezen woorden.beoordelaarseffecten (toetsing) = 100% betrouwbaarheid krijgen we nooit, maar door als beoordelaar alert te zijn op een aantal belangrijke beoordelingsfouten, kun je de betrouwbaarheid van de toets optimaliseren.
Eerste indruk: Neiging tot snel oordelen
Halo-effect: Een gunstige indruk op een aantal criteria wordt doorgezet in een gunstige beoordeling op andere criteria
https://www.youtube.com/watch?v=T_SN4FouFn8
Horn-effect: Een ongunstige indruk op een aantal criteria wordt doorgezet in een ongunstige beoordeling op andere criteria Contaminatie-effect: De beoordelaar kent aan de beoordeling van het werk nog andere dan de bedoelde functie(s) toe. Het beïnvloedt de objectiviteit. Contaminatie betekent letterlijk besmetting.
3 3 / 4
Projectie: Het toeschrijven van eigen (positieve of negatieve) eigenschappen aan de student Stereotype: Een student eigenschappen toekennen op basis van een groep waartoe hij behoort
Centrale tendentie: De neiging om steeds in het midden te beoordelen
Sequentie of volgorde effect: De nawerking van voorafgaande beoordelingen van het werk van andere studenten bij het beoordelen van een studentprestatie.Signifisch of opvattingseffect: De effecten die optreden indien de beoordelingstaak verschillend wordt opgevat door twee of meer beoordelaars.
Normverschuiving: De neiging van een beoordelaar zich in de strengheid van zijn
beoordelingen aan te passen aan het gemiddelde prestatieniveau van een groep kandidaten.betekenisaspecten = Kenmerken die aan woorden toegekend worden. (appel = groen, fruit, eten).betekenisonderhandeling = Bij betekenisonderhandeling gaat het erom samen actief te bedenken en te verwoorden wat een bepaald vakbegrip nu precies inhoudt, hoe je het kunt waarnemen, hoe het tot stand komt etc.betrouwbaarheid (toetsen) = De mate waarin de scores op een toets consistent, nauwkeurig en reproduceerbaar zijn.
bruikbaarheid (toetsinstrumenten) = De toets is:
- uitvoerbaar en efficiënt
- binnen de beschikbare tijd te maken door studenten.
- in de beschikbare tijd door docenten na te kijken.
- De nakijkprocedures zijn zodanig dat alle studenten een goede en even grote kans hebben
- heeft een goede opbouw; is zodanig dat deze de student stimuleert en steunt bij het
- / 4
om hun kunnen te demonstreren.
leveren van een goede toetsprestatie.Meer weten? Handboek Nederlands als tweede taal - pagina 370 cesuur (toetsinstrumenten) = De cesuur is de zak/slaaggrens bij de beoordeling van een toets. Daarbij stel je jezelf dus de vraag welke score een student tenminste moet behalen om een voldoende te halen of om te slagen. Het aantal punten wat voldoende is voor een voldoende wordt norm genoemd.