- / 5
- / 5
- / 5
Leerdoelen les 1 1.1 De verschillende perspectieven op gezondheid beschrijven Hippocrates: Ziekte ontstaat door een verstoord evenwicht van vier lichaamsvloeistoffen, de zogenaamde humores.
Galenus: Alle ziekten hebben een lichamelijke of pathologische basis.
Vroege middeleeuwen: Gezondheid werd vooral gezien als iets dat met geloof en spiritualiteit te maken had.Descartes (17e eeuw): Lichaam en geest zijn aparte eenheden, maar beïnvloeden elkaar wel. Dit idee noemen we dualisme.
Biomedisch model (diagnose-receptmodel):
Ziekten en symptomen hebben een duidelijke lichamelijke oorzaak. Als deze oorzaak wordt weggenomen, verdwijnen de symptomen en keert de gezondheid terug. Dit model kijkt vooral naar lichamelijke aspecten en laat weinig ruimte voor gevoelens of persoonlijke beleving. Het wordt ook reductionistisch genoemd; gezondheid betekent hier vooral het ontbreken van ziekte.
Biopsychosociaal model (WHO):
Ziekten worden verklaard door een combinatie van lichamelijke, psychologische, sociale en culturele factoren. Het model kijkt naar de beleving van gezondheid, zoals hoe iemand zich voelt, maar ook naar de sociale en culturele context. Dit model biedt een complex en veelzijdig beeld van gezondheid (WHO, 2024).
Machteld Huber:
Gezondheid is het vermogen om met lichamelijke, emotionele en sociale uitdagingen om te gaan en zelf regie te houden over het leven.
1.2 De zes dimensies van positieve gezondheid begrijpen 1.Lichaamsfuncties: Medische feiten, lichamelijke klachten, energie, functioneren. ("Ik voel me gezond") 2.Mentale functies/beleving: Emoties, zelfvertrouwen, veerkracht, cognitief functioneren. ("Ik voel me vrolijk") 3.Spiritueel/existentieel: Zingeving, doelen, toekomstperspectief. ("Ik heb vertrouwen in mijn toekomst") 4.Kwaliteit van leven: Welbevinden, geluk, levenslust. ("Ik geniet van mijn leven") 5.Sociaal-maatschappelijke participatie: Contacten, relaties, maatschappelijk betrokken zijn. ("Ik heb goed contact met anderen") 6.Dagelijks functioneren: Zelfzorg, werkvermogen, ADL-vaardigheden. ("Ik kan goed voor mezelf zorgen") 4 / 5